Versie 2.0.27 (9 oktober 2017)

Energiebesparingsverkenner voor professionals in de woningbouw

De Energiebesparingsverkenner is ontwikkeld door RVO.nl in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in samenspraak met marktpartijen.

De Energiebesparingsverkenner voor professionals geeft snel en makkelijk inzicht in de mogelijkheden en illustreert de effecten van energiebesparende maatregelen op de energiekosten en de energetische kwaliteit van de woning(en).

De gepresenteerde resultaten zijn gebaseerd op gestandaardiseerde uitgangspunten zoals de mate van isolatie afhankelijk van bouwjaar en woningtype, type installaties en gemiddeld bewonersgedrag (qua stoken, warm tapwater gebruik).

Omdat de grootte van de woning en het aantal bewoners van invloed zijn op het gas-/warmte- en elektriciteitsverbruik in de woning wordt de mogelijkheid geboden om deze – binnen bepaalde grenzen – aan te passen. Ook is het mogelijk om voor de energieprijzen en investeringsbedragen uw eigen projectwaarden in te vullen.

De Energiebesparingsverkenner maakt onderscheid tussen woningen voor particulieren en woningen van verhuurders zoals woningcorporaties. Bij verhuurders kunt u meerdere woningen of complexen in een project opnemen.

Bij woningen voor particulieren toont de Energiebesparingsverkenner het energielabel, bij woningen voor verhuurders de Energie-Index. Bij de Verkenner Hoge Ambities worden de waarden BENG 1, 2 en 3 getoond. Deze zijn speciaal bedoeld voor bijna energie neutrale gebouwen.

De getoonde energielabels, Energie-Indexen of BENG waardes worden altijd berekend aan de hand van de standaardwaarden, onafhankelijk van de ingevulde woninggrootte en het aantal personen. De overige uitgangspunten zullen– omdat ze gestandaardiseerd zijn – niet altijd precies overeenkomen met de werkelijke situatie. De resultaten van de verkenner zijn daarom uitdrukkelijk indicatief, maar geven wel een goed beeld van de mogelijkheden en de financiële effecten van energiebesparende maatregelen.

De mogelijkheden van de Energiebesparingsverkenner in een notendop.

Reguliere verkenner

U selecteert zelf maatregelen en bekijkt de investeringskosten en effecten van deze maatregelen op energiekosten.
U kiest een energielabel plus een aantal selectiecriteria. De Energiebesparingsverkenner toont u een advies met welke maatregelen u dit label kunt bereiken, wat de besparingen en de investeringskosten zijn.
Een woningcorporatie of verhuurder kiest een Energie-Index klasse plus een aantal selectiecriteria. De Energiebesparingsverkenner toont u een advies met welke maatregelen u deze Energie-Index klasse kunt halen, wat de besparingen en de investeringskosten zijn per woning of voor een project met verschillende woningen.
U kiest het gewenste comfort niveau. De Energiebesparingsverkenner geeft aan met welke maatregelen u het comfort kunt verbeteren, wat de besparingen en de investeringskosten zijn.
Bij de budgetverkenner gaat de Energiebesparingsverkenner op zoek naar een slimme combinatie van maatregelen die binnen het bedrag vallen dat u ingeeft.

Verkenner Hoge Ambities

Met de Verkenner Hoge Ambities kunt u bijna energieneutrale of nul op de meter scenario’s verkennen. Met behulp van een aantal korte vragen selecteert de verkenner een pakket aan maatregelen voor u waarmee een energierekening nagenoeg nul zal zijn.  

U selecteert zelf maatregelen en bekijkt de investeringskosten en effecten van deze maatregelen op energiekosten.

Meer informatie vindt u op www.rvo.nl/energiebesparingsverkenner.


De Energiebesparingsverkenner voor woningen (EBVW) bevat 2 gescheiden varianten: de Reguliere Verkenner en de Verkenner Hoge Ambities.

Reguliere Verkenner
In de Reguliere Verkenner kunnen diverse maatregelen worden gecombineerd tot pakketten tot maximaal label A. Hierbij is het ook mogelijk om te zoeken naar een optimaal pakket bij een gewenst label-, EI-, of comfort-doel of met de budgetverkenner binnen een bepaald budget te blijven. Bij de Reguliere Verkenner varieert de energetische kwaliteit van de woningen van zeer slecht tot zeer goed. Kortom de range van Labels G tot en met gangbare labels A.

Verkenner Hoge Ambities
Bij de Verkenner Hoge Ambities leiden alle pakketten tot een zeer energiezuinige woning, tot op het niveau van energieneutraal, waarbij er geen of een zeer lage energierekening is. Bij deze verkenner is het mogelijk om eigen ambitieuze maatregelpakketten samen te stellen, maar het is ook mogelijk om met hulp van een aantal algemene keuzes een optimaal pakket te vinden.

De twee verkenners kunnen niet gecombineerd worden. Dit heeft te maken met uitgangspunten in de berekeningen. In de Reguliere Verkenner wordt met energetisch ‘gemiddelde’ waarden gerekend. De doorgerekende situaties moeten representatief zijn voor alle bestaande gebouwen. Het gaat daarbij niet alleen om de situatie na maatregelen, maar ook om de huidige situatie van een woning.

Bij de Verkenner Hoge Ambities wordt de huidige situatie op dezelfde manier bepaald als bij de reguliere verkenner. Maar de situatie na het treffen van maatregelen is in alle gevallen energetisch zeer goed en niet gemiddeld. De hierbij gebruikte energetische uitgangspunten zijn ook zeer goed (bijvoorbeeld gedetailleerde koudebrugberekening en goede luchtdichtheid). Dit is nodig om aan de strenge energetische eisen van EPV te voldoen.

Naast de zichtbare maatregelen (maatregelen die de gebruiker kan kiezen bij de woningkenmerken), zijn er ook maatregelen die in ieder pakket automatisch meegenomen worden. Dit zijn geïsoleerde deuren en zonwering. De energetische kenmerken hiervan kunnen niet gevarieerd worden. Bij de kostenkengetallen is het wel mogelijk om de kostprijs hiervan aan te passen.

Als gevolg van het verschil in uitgangspunten is het mogelijk dat een pakket dat in beide EBVW-varianten precies hetzelfde wordt ingevoerd, toch verschillende resultaten kan krijgen.

Het doel van de Energiebesparingsverkenner is om snel en makkelijk mogelijke scenario’s in kaart te brengen, met elkaar te vergelijken en hiermee professionals bewust te maken van de vele mogelijkheden om energie te besparen in woningen. De Energiebesparingsverkenner biedt geen maatwerkadvies. Interessante scenario’s kunnen hierna door professionals met aanvulling van eigen kennis en expertise in detail worden uitgewerkt en op maat van de lokale situatie worden doorgerekend.

De belangrijkste verschillen staan in onderstaande tabel:

Aspect Regulier Hoge ambities
Woningtypen meergezinswoningen 1-laags en 2-laags, met verschillende subtypen 3 typen flatgebouw (laag, hoog en breed, hoog en smal) op basis van een ‘gemiddelde’ woning
Type verkenningen Eigen maatregelen, comfortverkenner, EI-verkenner, labelverkenner, budgetverkenner Eigen maatregelen, Verkenner Hoge Ambities
Specifieke parameters    
U-waarde raam HR++: 1,8 W/m2K
Drievoudig: 1,2 W/m2K
HR++: 1,65 W/m2K
Drievoudig: 1,0 W/m2K
Zonwering Geen Beweegbare voorzieningen op oost, west, zuid
U-waarde deur 3,4 W/m2K (ongeïsoleerd) 1,5 W/m2K
Infiltratie EI: op basis van renovatiejaar
Verbruik: op basis van methode ‘kierdichting’
EI en BENG: qv;10 waarde van 0,3 dm3/s.m2
Verbruik: op basis van luchtdichtheidsklasse ‘uitstekend’
Installatierendementen Zoveel mogelijk forfaitair uit Nader Voorschrift Kwaliteitsverklaringen
Zonneboiler Collectoroppervlak 2,7 m2 5,0 m2
Ventilatie Wtw rendement forfaitair Wtw rendement 0,9
PV opbrengst EI, verbruik en BENG: 165 Wp/m2
Label: 125 Wp/m2
BENG en verbruik: 180 Wp/m2

 

Filter begrippen op alfabet

Klik op een letter om de begrippen te filteren. Bij nogmaals klikken op de geselecteerde letter wordt het filter verwijderd.



Aantal bewoners
Het aantal personen in het huishouden. Het gaat hierbij om bewoners/gezinsleden die de woning als hoofdadres hebben. Het aantal bewoners is van invloed op de hoeveelheid warm water die wordt gebruikt. Bij een slecht geïsoleerde woning kost het bereiden van warm tapwater relatief weinig energie in vergelijking met het verwarmen van de woning. Bij een goed geïsoleerde woning heeft de warmwaterproductie veel invloed op het totale energiegebruik. Meer bewoners zullen in dat geval merkbaar meer energie gebruiken.


BARe
BARe is de verhouding tussen de jaarlijkse besparing in energiekosten en de totale investering. Deze wordt berekend volgens:


BENG

BENG staat voor bijna energieneutrale gebouwen. In Nederland gaan we de energieprestatie voor gebouwen vastleggen aan de hand van drie eisen: de BENG-indicatoren. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD.
Deze BENG-eisen gelden alleen voor nieuwbouw en vervangen de huidige Energie Prestatie Coefficient (EPC). Het beleid voor zeer energiezuinige bestaande gebouwen is nog in ontwikkeling. De drie indicatoren gaan over de energiebehoefte voor verwarming en koeling (uitgedrukt in kWh/m2 gebruiksoppervlak), het primair fossiel energiegebruik (uitgedrukt in kWh/m2 gebruiksoppervlak) en het aandeel hernieuwbare energie (in procenten).


Biomassaketel

Een biomassaketel is een ketel die bijvoorbeeld houtpellets gebruikt als brandstof. Er zijn verschillende uitvoeringsvarianten, variërend van een losse kachel die 1 ruimte verwarmt tot een biomassaketel die centraal geplaatst wordt en ook warm water levert.
Een nadeel van een biomassaketel is dat de uitstoot van fijn stof groter is dan bij een gasketel. Er is ook meer ruimte nodig voor de opslag van houtpellets.


BTW

In de Energiebesparingsverkenner gaan we uit van 21% BTW op materiaal en alle overige kosten en 6% BTW op arbeid voor isolatiewerkzaamheden bij woningen ouder dan 2 jaar:

  • Dakisolatie
  • Vloerisolatie
  • Gevelisolatie
  • Plaatsen van Isolatieglas in bestaande kozijnen/deuren of inclusief kozijnen
NB arbeidsloon voor het maken van de kozijnen valt onder 21% BTW tarief. Eventuele schilderwerkzaamheden aan de kozijnen en deuren vallen ook onder het 21% tarief. Zie ook de belastingdienst voor meer informatie. Aangezien de EBVW zicht richt op renovaties van oudere woningen, gaat RVO.nl er van uit dat woningen altijd ouder zijn dan 2 jaar.


Collectieve installatie
Een collectieve installatie wordt gebruikt voor de verwarming van meer dan één woning. Een collectieve installatie komt vaak voor in een flat, maar het is ook mogelijk om bij eengezinswoningen een collectieve installatie te hebben. Er zijn verschillende typen collectieve verwarmingssystemen die variëren van CR-ketels tot en met warmtepompen. Het vervangen van een collectieve ketel is ingrijpend. De beheerder van het gebouw of de vereniging van eigenaren moet hierover een beslissing nemen.


Comfort indicatie
De comfortindicatie in de Energiebesparingsverkenner is gebaseerd op een systeem uit een artikel van Cauberg Huygen (zie Bouwwereld 10, 12 mei 2003). Het systeem van Cauberg Huygen is passend gemaakt voor de Energiebesparingsverkenner. Per maatregelenpakket worden 1-5 sterren toegekend aan het comfort in de woning. Het aantal sterren wordt vastgesteld aan de hand van de totaalscore van de maatregelen in een pakket.

De scores per maatregel zijn als volgt:
Aantal punten Aantal sterren
2-20 *
21-30 **
31-40 ***
41-50 ****
51-61 *****


Component installatie onderdeel waarde
verwarmingssysteem en regeling lokale gashaarden 0
radiatoren met thermostaat 15
vloerverwarming met thermostaat 20
ventilatietoevoer schuif, draaikiep of klepramen 0
ventilatieroosters 5
gebalanceerde ventilatie 10
kierdichting geen naad- en kierdichting 0
goede naad- en kierdichting 10
vloerisolatie * geen 0
matig 4
goed, zeer goed 7
beglazing enkel 0
dubbel 1
HR++ 2
drievoudig 3
gevelisolatie geen 2
matig, goed, zeer goed 5
dakisolatie* geen 0
matig, goed, zeer goed 3

(*) Sommige woningen hebben geen vloer of dak (want ze liggen ‘midden’ in een appartementengebouw). In dat geval krijgt deze component de maximale score op dat gebied. Dus als een woning geen dak heeft, dan wordt voor de comfortcheck voor dakisolatie gerekend met 3 punten (idem voor vloeren, dan wordt gerekend met 7 punten).
De achtergrond hiervan is dat in dat soort woningen geen warmteverlies via dak of vloer plaatsvindt. Qua thermisch comfort is dit te vergelijken met een goed geïsoleerd dak of vloer.

Bij beglazing leidt dit tot de volgende puntencombinaties.
Component beglazing waarde
Enkel- Enkel 0
Enkel – Dubbel1
Enkel – HR++2
Enkel – Drievoudig3
Dubbel- Dubbel4
Dubbel – HR++3
Dubbel – Drievoudig4
HR++ - HR++4
HR++ - Drievoudig5
Drievoudig – Drievoudig6

Er wordt verondersteld kierdichting aanwezig te zijn als zowel het dak als de gevel geïsoleerd zijn (ten minste tot niveau ‘matig’). Als er geen dak is (bij meergezinswoningen) dan is alleen gevelisolatie voldoende.


CO2, Vermeden CO2
CO2 is een broeikasgas dat een rol speelt bij klimaatverandering. De getoonde CO2 is de totale uitstoot van CO2 als gevolg van het verbruik van gas, warmte en elektriciteit in de woning, uitgedrukt in kg. De vermeden CO2 is het verschil tussen de uitstoot in de huidige situatie en de uitstoot in de situatie na het nemen van maatregelen.


Comfortverkenner
Met de comfortverkenner gaat de tool aan de slag om voor u een voorstel samen te stellen van een set maatregelen die tot een hoog comfort zal leiden. U bepaalt zelf aan de hand van welke criteria u dit wilt doen.


CR-combiketel
Een CR-combiketel is een (ouder type) verwarmingsketel waarmee ook warm water gemaakt wordt. CR staat voor Conventioneel Rendement. Het rendement van een CR-ketel is slechter dan dat van een VR- of HR-ketel. De CR-ketel heeft een rendement van 70 tot 80%. Dat wil zeggen dat 20 tot 30% van de gebruikte energie via de schoorsteen verloren gaat.
Een CR-ketel is te herkennen doordat er vaak maar één dikke buis (circa 10 cm dik) op de ketel is aangesloten. Dit is de buis waardoor de verbrandingsgassen afgevoerd worden naar buiten. De lucht die voor de verbranding nodig is, komt uit het vertrek waar het toestel staat opgesteld. Bij vervanging van een CR-ketel door een VR- of HR-ketel moet er rekening mee gehouden worden dat er een extra buis op de ketel aangesloten moet worden voor de luchttoevoer. Vaak is hiervoor een aanpassing aan de dakdoorvoer of de schoorsteen nodig. Bij een HR-ketel is bovendien een afvoer nodig voor condenswater.


Contante waarde berekening
De contante waarde is de huidige waarde van de besparingen die in de toekomst ter beschikking komen. In de berekening wordt een vaste looptijd van 20 jaar aangehouden. Hierbij zijn verwachte wijzigingen van energieprijzen meegenomen en een discontovoet. De discontovoet is het rekenpercentage dat gebruikt wordt om toekomstige kasstromen contant te maken, om de contante waarde te bepalen. Vaak wordt deze waarde in de berekeningen ook aangeduid als rente of rendement. Discontering wordt gebruikt om de kosten en baten van de investeringen, zoals in energiebesparende maatregelen, vergelijkbaar te maken. Dit is nodig omdat kosten en baten op verschillende momenten in de tijd vallen, waardoor de huidige (de ‘contante’) waarde verschillend is.

Formule contante waarde besparing

Als y=1, dan moet in de formules voor het saldo de factor (1-y^N)/(1-y) vervangen worden door N. Als de contante waarde kleiner is dan 0, dan wordt in de tool 0 getoond. De besparing in energiekosten is het verschil in energiekosten tussen de uitgangssituatie en de nieuwe situatie. Deze volgt uit de berekening in EBVW. Deze is ongewijzigd.

De jaarlijkse energiekosten zijn gelijk aan:

De som gaat over alle energiedragers (elektriciteit, gas, warmte, biomassa).


Dakisolatie
Isolatie van het dak van een woning.

Isolatiewaarden van daken
Als standaardwaarde wordt de categorie getoond die het meest voorkomt bij het gekozen woningtype uit de gekozen periode. De bijbehorende Rc-waarde sluit aan op de Voorbeeldwoningen Bestaande Bouw 2011 en de energielabelmethodiek. De standaardwaarde kan overschreven worden als bekend is dat de isolatie van het dak afwijkt van de standaardwaarde. Dit kan met name het geval zijn bij oudere woningen die nageïsoleerd zijn.

bouwjaar geen isolatie matige isolatie goede isolatie zeer goede isolatie uitmuntende isolatie
vóór 1975 0 cm (0,22 m2K/W) 3 cm (0,89 m2K/W) 8 cm (2,00 m2K/W) 28 cm (6,44 m2K/W) 8 m2K/W
1975 - 1987 0 cm (0,22 m2K/W) 5 cm (1,33 m2K/W) 10 cm (2,44 m2K/W) 28 cm (6,44 m2K/W) 8 m2K/W
1988 - heden 5 cm (1,33 m2K/W) 10 cm (2,44 m2K/W) 28 cm (6,44 m2K/W) 8 m2K/W

De gehanteerde isolatiedikte is in cm aangegeven.
Tussen de haakjes staan de Rc-waarden in m2K/W.
Een hoge warmteweerstand (Rc) komt overeen met een goede (hoge) isolatie.

Bij uitmuntende isolatie is alleen de Rc-waarde vermeld. De benodigde dikte hangt af van het gebruikte isolatiemateriaal. Bij deze categorie worden doorgans betere isolatiematerialen toegepast om de dikte te beperken.

Bouwjaar vóór 1988

  • Bij het isolatieniveau 'geen' is het dak niet geïsoleerd.
  • Bij matige isolatie is het niveau weergegeven waar in het verleden een (matige) isolatie is toegepast (3-5 cm). Dit betreft met name woningen die gebouwd of nageïsoleerd zijn in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw.
  • Van een goede isolatie is sprake bij een isolatiemateriaal van 8-10 cm dikte. Daken die in de jaren 90 van de vorige eeuw of later zijn nageïsoleerd hebben doorgaans een goede isolatie.
  • Woningen die zeer goed zijn nageïsoleerd hebben een isolatiedikte van 28 cm.

Bouwjaar vanaf 1988

  • Woningen vanaf 1988 zijn in de regel al geïsoleerd, het niveau 'geen' bestaat daarom niet.
  • Bij de wat oudere woningen uit deze periode kan een matige isolatie voorkomen (5 cm).
  • Bij de nieuwere woningen (in ieder geval woningen gebouwd na 1992) zal een goede isolatie aanwezig zijn (10 cm).
  • Woningen die zeer goed zijn geïsoleerd hebben een isolatiedikte van 28 cm.


Decentrale mechanische ventilatie
Met een decentraal mechanisch ventilatiesysteem wordt het binnenklimaat per vertrek beïnvloed. De ventilatiesystemen zijn oorspronkelijk ontworpen voor nieuwbouw, maar zijn vanwege hun eenvoudige toepassing zeker ook geschikt voor bestaande bouw. Het systeem lijkt op een klassieke radiator. Een geïntegreerde warmtewisselaar staat via een gevel opening in verbinding met de buitenlucht tbv warmteterugwinning. Hierdoor is het nodig om in de woning luchtkanalen aan te leggen. Ook is nachtventilatie/vrije koeling mogelijk.


Douche wtw

Bij een douche wtw (wamteterugwinning) wordt de warmte van het wegstromende douchewater gebruikt om het koude water voor te verwarmen. Het voorverwarmde water gaat naar de mengkraan van de douche of naar de combiketel of boiler. De ketel hoeft dan minder hard te stoken.
Er zijn verschillende soorten wtw’s: voor een badkamer op een verdieping is een vertikale douchepijp-wtw geschikt. Er zijn ook speciale douchebakken of goten waarin een horizontale wtw is ingebouwd.


Elektrische boiler
Een elektrische boiler is een groot voorraadvat waarin water wordt verwarmd met een elektrisch element. Dit warme water kan gebruikt worden voor douchen, afwassen ed. Er zijn ook kleine elektrische boilers, deze worden vaak close-in boilers genoemd, en die zijn alleen geschikt om warm water voor de keuken te maken. In de Energiebesparingsverkenner wordt geen rekening gehouden met close-in boilers.


Energie-Index bepaalt energieprestatie
Het energieprestatiecertificaat is per 1 januari 2015 overgegaan in de Energie-Index die wordt berekend op basis van het Nader Voorschrift. Deze Energie-Index bepaalt de energiezuinigheid (energieprestatie) van een woning. De Energie-Index is in verband met het woningwaarderingsstelsel (WWS) een verplicht instrument en wordt weergegeven in een getal. Hiermee is een meer exacte bepaling van de energieprestatie van een woning te berekenen. Een lagere Energie-Index levert meer huurpunten op. Een verhuurder moet nieuwe huurders informeren over de energieprestatie van de woning (voor bestaande huurders geldt die verplichting niet altijd). Afhankelijk van de energieprestatie krijgt een woning extra punten.

Bij een Energie-Index ontvangt u automatisch een definitief energielabel. Een definitief energielabel geldt niet voor het WWS. Hiervoor moet de Energie-Index worden gebruikt. De Energie-Index en het definitief energielabel worden geregistreerd in EP-online en bij het Kadaster.

De energieprestatie telt mee in het puntenaantal van een zelfstandige huurwoning.

U kunt de Energie-Index dus gebruiken om de investeringen van uw woningvoorraad te waarderen en te bepalen. www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huurwoning/puntensysteem-huurwoning/puntensysteem-en-energielabel


Energielabel
Het energielabel geeft inzicht in de energieprestaties van woningen en andere gebouwen (vergelijkbaar met de energielabels op koelkasten en andere apparatuur).

Het energielabel laat zien welke energieklasse een woning of gebouw heeft en welke energiebesparende maatregelen nog mogelijk zijn. Bij label A zijn er al veel besparingsmogelijkheden benut. Bij label G zijn er nog veel mogelijkheden.

www.rvo.nl/energielabel
www.energielabel.nl
www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/energielabel-gebouwen/energielabel-woning


Energielabel van een woning checken
Wilt u weten welk energielabel een woning heeft? Vul op www.zoekuwenergielabel.nl een postcode en huisnummer in en controleer of de woning al een energielabel heeft.


EPV

De energieprestatievergoeding (EPV) is een vergoeding die de verhuurder mag vragen aan de huurder voor het zeer energiezuinig maken van de woning.
De EPV is een schriftelijke overeenkomst. Hierin staat een betalingsverplichting van de huurder aan de verhuurder. De EPV geldt voor een gegarandeerde energieprestatie van de woonruimte door de verhuurder. Het gaat om energiebesparende én energieleverende voorzieningen aan die woonruimte. Wil de verhuurder een EPV met de huurder overeenkomen voor een sociale huurwoning? Dan moet de woning aan enkele eisen voldoen:

  • De woning is zeer goed geïsoleerd.
  • De woning produceert (duurzaam) gemiddeld net zo veel energie als de woning gebruikt.
  • De verhuurder toont aan dat de huurwoning voldoet aan de eisen voor een EPV. Bijvoorbeeld rond isolatie. Daarvoor kan hij terecht bij erkende bedrijven die de warmtevraag van een woning bepalen. Ook de hoeveelheid energie die de woning opwekt, moet de verhuurder (laten) meten.
  • De woning dient dus zeer goed geïsoleerd te zijn. En het heeft een zeer lage warmtevraag. De warmtevraag is minder dan 50 kWh/m2 per jaar. De hoogste EPV is maximaal € 1,40/m2 per maand. Daarvoor moet de warmtevraag onder de 30 kWh/m2 per jaar liggen. De woning wekt minimaal een even grote hoeveelheid duurzame energie op. Daarmee kan die volledig in de behoefte aan warmte voorzien. Daarnaast wekt de woning 15 kWh/m2 per jaar op voor warm tapwater.
  • De woning welkt voldoende hulpenergie (Ehulp) op. Bij Ehulp gaat het om de gebouwgebonden (elektrische) energie voor installaties. Denk aan ventilatiesystemen, (comfort)koelingsystemen en systemen voor meting en monitoring. Energie voor verlichting valt niet onder Ehulp. Daar bovenop moet de woning 26 kWh/m2 per jaar aan energie opwekken. Deze energie is voor de huurder. Het gaat om minimaal 1.800 kWh en maximaal van 2.600 kWh.


Gasverbruik
Het gasverbruik dat wordt getoond in het overzicht is altijd exclusief koken.


Gebalanceerde ventilatie
In nieuwere woningen is vaak een ventilatiesysteem aanwezig dat vieze luchtjes, vocht en CO2 uit badkamer, keuken en toilet afzuigt en dat verse lucht in de woonkamer, keuken en slaapkamer naar binnen brengt. Deze woningen hebben geen roosters bij de ramen. Dit systeem noemen we gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning via een warmtewisselaar.

Principeschema gebalanceerde ventilatie

De warmtewisselaar zorgt ervoor dat de uitgaande lucht de warmte afgeeft aan de binnen­komende lucht. Dit is comfortabel doordat de verse buitenlucht hierdoor wordt voorverwarmd. Bovendien bespaart u op deze manier energie. Dit ventilatie­systeem hangt vaak op de zolderverdieping of in de berging binnen en is te herkennen aan vier grote slangen die erop aangesloten zijn. Kenmerken van gebalanceerde ventilatie zijn:

  • Onder alle weersomstandigheden gecontroleerde luchtverversing
  • Minder uitvoeringsgevoelig dan een natuurlijke afvoer
  • Niet uit te schakelen.
Het is mogelijk om als maatregel een gebalanceerd ventilatiesysteem in een bestaande woning te plaatsen. Dit is een kostbare maatregel en vereist het aanleggen van ventilatiekanalen in de woning.


Gebruiksoppervlakte
De grootte van de woning is van invloed op het gas-/warmte- en elektriciteitsverbruik in de woning: hoe groter de woning, hoe hoger het verwachte verbruik. Daarom wordt in de Energiebesparingsverkenner rekening gehouden met de oppervlakte van de woning.

De gebruiksoppervlakte is de bruikbare vloeroppervlakte van een woning. In feite gaat het om het vloeroppervlak van alle verdiepingen tussen de buitenwanden van de woning, behalve bepaalde vaste obstakels, zoals de dragende binnenwanden.

Voor de bepaling van de gebruiksoppervlakte moeten de oppervlakken van alle ruimten die verwarmd worden, meegerekend worden. Zo tellen bijvoorbeeld een ongeïsoleerde berging waarin geen verwarming zit, een ongeïsoleerde bergzolder (zonder verwarming én zonder vaste trap) en het oppervlak van het balkon niet mee voor de gebruiksoppervlakte.

De standaardwaarde van het gebruiksoppervlak voor het gekozen woningtype wordt automatisch door de Energiebesparingsverkenner ingevuld. U kunt deze waarde aanpassen, maar niet meer dan 30% kleiner (de minimale waarde) of 50% groter (de maximale waarde) dan de voorbeeldwoningen die ten grondslag liggen aan de Energiebesparingsverkenner. Hierdoor sluiten de uitkomsten van de Energiebesparingsverkenner nauwkeuriger aan bij de eigen woning. Voor woningen waarvan de gebruiksoppervlakte buiten deze onder- of bovengrens valt, wordt gerekend met de minimale of de maximale waarde. De resultaten geven dan een minder goede indicatie dan bij een woning van gemiddelde grootte.


Geiser

Met een geiser kan water voor de keuken of douchewater worden verwarmd op het moment dat de bewoner het nodig heeft. De geiser wordt vaak in de keuken opgehangen. Soms wordt een aparte badgeiser gebruikt voor het verwarmen van het bad- of douchewater.
Er zijn ‘open’ uitvoeringen die verbrandingslucht uit de ruimte halen en ‘gesloten’ uitvoeringen die met een pijp de verbrandingslucht van buiten halen. Daarnaast zijn er geisers in een ‘afvoerloze’ uitvoering (zonder rookgasafvoer) of met afvoer van rookgassen. Bij een ‘afvoerloze’ geiser komen de verbrandingsgassen in de ruimte waar de geiser hangt. Het is dan van levensbelang dat de ruimte goed geventileerd wordt om een eventuele koolmonoxidevergiftiging bij een slecht werkende geiser te voorkomen.


Gevelisolatie
Isolatie van de buitenmuren van een woning.

Isolatiewaarden van gevels
Als standaardwaarde wordt de categorie getoond die het meest voorkomt bij het gekozen woningtype uit de gekozen periode. De bijbehorende Rc-waarde sluit aan op de Voorbeeldwoningen Bestaande Bouw 2011 en op de energielabelmethodiek. De standaardwaarde kan overschreven worden als bekend is dat de isolatie van de gevel afwijkt van de standaardwaarde. Dit kan met name het geval zijn bij oudere woningen die nageïsoleerd zijn.

Bij gevels is voor alle bouwjaarklassen uitgegaan van de aanwezigheid van spouwmuurisolatie of van de mogelijkheid om spouwmuurisolatie aan te brengen.

gevel isolatie

bouwjaar geen isolatie matige isolatie / nageïsoleerde spouw goede isolatie zeer goede isolatie uitmuntende isolatie
vóór 1975 0 cm (0,36 m2K/W) 5 cm (1,47 m2K/W) 8 cm (2,14 m2K/W) 21 cm (5,03 m2K/W) 7 m2K/W
1975 – 1987 0 cm (0,36 m2K/W) 7 cm (1,92 m2K/W) 10 cm (2,58 m2K/W) 21 cm (5,03 m2K/W) 7 m2K/W
na 1987 5 cm (1,47 m2K/W) 10 cm (2,58 m2K/W) 21 cm (5,03 m2K/W) 7 m2K/W

De gehanteerde isolatiedikte is in cm aangegeven.
Tussen de haakjes staan de Rc-waarden in m2K/W.
Een hoge warmteweerstand (Rc) komt overeen met een goede (hoge) isolatie.

Bij uitmuntende isolatie is alleen de Rc-waarde vermeld. De benodigde dikte hangt af van het gebruikte isolatiemateriaal. Bij deze categorie worden doorgans betere isolatiematerialen toegepast om de dikte te beperken.

Bouwjaar vóór 1988

  • Bij het isolatieniveau 'geen' is er geen isolatiemateriaal in de spouw aanwezig.
  • Bij het niveau 'matige isolatie/nageïsoleerde spouw' wordt de spouw nageïsoleerd of is in het verleden een (matige) isolatie toegepast. Dit betreft met name woningen die gebouwd of nageïsoleerd zijn in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw..
    De isolatiedikte van nageïsoleerde spouwmuren is gelijk aan de spouwbreedte (altijd volledig gevuld). Bij het bepalen van de spouwbreedte is uitgegaan van een vaste breedte die afhankelijk is van het bouwjaar:
    • 5 cm voor woningen van vóór 1975
    • 7 cm voor woningen vanaf 1975
  • Om het niveau 'goede isolatie' te bereiken is het naïsoleren van de spouw niet voldoende. Hiervoor is bijvoorbeeld een (extra) pakket isolatiemateriaal aan de binnen- of buitenzijde of gebruik van een extra goed isolerend materiaal (zoals PIR) nodig. Goede isolatie komt met name voor bij gevels die in de jaren 90 of later zijn nageïsoleerd.
  • Woningen die zeer goed zijn nageïsoleerd hebben een isolatiedikte van 21 cm.

Bouwjaar vanaf 1988

  • Woningen van na 1988 zijn in de regel al geïsoleerd, het niveau 'geen' bestaat daarom niet.
  • Bij wat oudere woningen uit deze periode kan een matige isolatie in de spouw voorkomen (5 cm)
  • Bij nieuwere woningen zal een goede isolatie in de spouw aanwezig zijn (10 cm).
  • Woningen die zeer goed zijn geïsoleerd hebben een isolatiedikte van 21 cm.


Glas

  • Enkel glas
    In oudere woningen komt nog enkel glas voor. Vervanging van enkel glas door dubbel glas, HR++glas of drievoudig glas leidt tot energiebesparing en comfortverbetering. Minder koudestraling door het raam geeft een aangenamer gevoel (minder tocht). Dubbel glas, HR++glas en drievoudig glas zijn dikker dan enkel glas en daarom kan het voorkomen dat bij vervanging van enkel glas ook de kozijnen moeten worden vervangen.
  • Dubbel glas
    Dubbel glas is isolerend glas dat bestaat uit twee glasplaten die door middel van een aluminium afstandhouder van elkaar gescheiden zijn. In de spouw tussen de glasplaten bevindt zich over het algemeen droge lucht. Dubbel glas staat ook wel bekend als Thermopane glas.
  • HR++ glas
    Tegenwoordig is er beter isolerend glas op de markt: HR++ glas. Als in de luchtlaag tussen de glasplaten géén aanduiding van ‘HR’ te vinden is, is er meestal sprake van normaal dubbel glas.
  • Drievoudig glas
    Drievoudig glas bestaat uit 3 glasplaten met een coating en daartussen twee lagen gevuld met een gas. Drievoudig glas is energetisch het beste glas.

HR glas
HR glas is zeer goed isolerend glas dat bestaat uit twee gescheiden glasplaten met een vrijwel onzichtbare metalen laag (coating) op het glas, eventueel in combinatie met een gasvulling in de spouw tussen de glasplaten. Het type HR-glas is te vinden op de aanduiding in de aluminiumstrip tussen de twee glasplaten. De maximale U-waarde bedraagt:

  • 2,0 W/m2K voor HR glas
  • 1,6 W/m2K voor HR+ glas
  • 1,2 W/m2K voor HR++ glas.
Door de coating op HR- glas kan er een klein verschil in kleurbeleving zijn ten opzichte van dubbel glas. Verder kan er bij bepaalde weersomstandigheden condens aan de buitenzijde van het glas ontstaan, dit is niet schadelijk voor het glas of de kozijnen.

Er bestaat ook drievoudig HR glas. Dit bestaat uit 3 lagen glas met een gasvulling. De U-waarde van het glas bedraagt 0,7 W/m2K.

De U-waarde van het totale venster hangt niet alleen af van het glas, maar ook van het kozijn. Bij een houten kozijn gelden de volgende waarden.

GlastypeU waarde venster (W/m2K)
Enkel 5,2
Dubbel2,9
HR++1,8
Drievoudig 1,2


Houten pui
Ramen en deuren met een houten kozijn.


HRe-ketel
Een HRe-ketel, ook wel micro WKK genoemd, levert zowel warmte als elektriciteit. Het gasverbruik is weliswaar hoger dan bij een 'gewone' HR-ketel, maar daar staat een forse verlaging van het elektriciteitsverbruik tegenover waardoor de totale energielasten lager zijn. Toestellen die een HRe-label hebben, hebben een betere energetische kwaliteit dan toestellen zonder dit keurmerk.


HR-ketel combiketel
Een HR-combiketel is een verwarmingsketel waarmee ook warm water gemaakt wordt. HR staat voor Hoog Rendement. Het rendement van een HR-ketel is beter dan dat van een CR- en VR-ketel. Een HR-ketel heeft een rendement van 90-97,5%.

HR-ketels zijn vaak te herkennen aan een sticker, met daarop de term HR100, HR104 of HR107. Dit laatste type ketel is gebruikt bij de bepaling van het investeringsbedrag en de energiebesparing als de HR-combi is geselecteerd.

HR-toestellen zijn altijd gesloten verbrandingstoestellen en zijn te herkennen aan de twee dikke buizen (circa 10 cm dik) die op de ketel zijn aangesloten. De lucht die voor verbranding nodig is, wordt van buiten toegevoerd via de ene buis. Via de andere buis worden de verbrandingsgassen naar buiten afgevoerd. Ten opzichte van een gesloten VR-ketel is een HR-ketel te herkennen doordat onderaan de ketel een waterafvoerpijpje aanwezig is.


Hybride warmtepomp
Bij een hybride warmtepomp bestaat de installatie uit 2 toestellen. De elektrische warmtepomp levert de basislast van de warmtevraag. Bij een piekvraag schakelt de gasketel bij. Hierdoor is het rendement van de warmtepomp optimaal en kan het vermogen van de warmtepomp laag blijven, waardoor bespaard wordt op de investeringskosten. De hybride warmtepomp in de EBVW gebruikt buitenlucht als bron.


Individuele bemetering
Wanneer collectieve installaties voorzien worden van individuele bemetering zal een energiebesparing van circa 6% gerealiseerd worden.


Investering
De investeringskosten die worden getoond zijn standaard gemiddelden van de prijzen die op de Nederlandse markt worden gehanteerd. Deze worden jaarlijks geüpdatet. Er zijn verschillende manieren om de investering voor energiebesparende maatregelen te financieren, afhankelijk van de financiële situatie en de wensen van de klant. In de Energiebesparingsverkenner tonen we de totale investeringskosten die betaald moeten worden om een maatregel te realiseren. Indien er al plannen zijn om bijvoorbeeld de ramen te vervangen dan is het verstandig stil te staan bij de mogelijke meerkosten die het investeren in een energiezuinigere maatregel interessant maken. Daarnaast maken we in de investeringskosten onderscheid in materiaalkosten en arbeidskosten, dit omdat de overheid BTW verlagingen op uurloon toestaat.

Een plat dak isoleren als het dak toch vervangen moet worden:
U wilt uw platte dak isoleren. Hiervoor moet:

  • de dakrand worden verhoogd (metselwerk);
  • isolatiemateriaal worden aangeschaft en geplaatst;
  • de hemelwaterafvoer opnieuw worden aangesloten.
Deze kosten zijn onderdeel van de investering in de energiebesparing. Maar er moeten natuurlijk nog meer kosten worden gemaakt, bijvoorbeeld voor:
  • voorbereiden en inmeten;
  • verwijderen ballastlaag grind en bestaande dakbedekking;
  • plaatsen nieuwe dakbedekking en ballastlaag grind;
  • waterdicht afwerken dakranden;
  • opruimen en afvoeren materiaal.
Deze kosten zou u toch al maken als u het dak vervangt en zijn daarom geen specifieke investering ten behoeve van energiebesparing. Door deze kosten op te tellen bij de kosten die onderdeel zijn van de investering in energiebesparing krijgt u de totale investering.

Uw ketel vervangen:
Stel u woont in een meergezinswoning en uw cv-ketel is aan vervanging toe. U heeft nu een VR-combiketel. Als u besluit een energiezuiniger HR-combiketel te kopen, bent u (inclusief plaatsen) gemiddeld € 2.693,- kwijt. Echter had u opnieuw een VR-combiketel gekocht dan had u ook kosten gehad, namelijk de kosten voor de VR-combiketel zelf en de bijbehorende installatie-werkzaamheden. Bij aanschaf van een HR-combiketel in plaats van een VR-combiketel bent u € 924,- meer kwijt. Dus:

  • De totale investeringskosten zijn € 2.693,-.
  • De meer investeringskosten ten behoeve van energiebesparing zijn € 924,-. Die investering is specifiek voor de energiebesparing, want de energiebesparing ontstaat alleen door het betere rendement van de ketel. Als u voor een nieuwe VR-ketel zou kiezen is de investering ten behoeve van energiebesparing € 0.


Kierdichting
Eind jaren 70 van de vorige eeuw zijn in het kader van de Nationale Kierenjacht veel woningen kierdicht gemaakt. Dit betekent dat alle kieren bij bijvoorbeeld ramen dichtgemaakt zijn. Doordat er minder koude lucht naar binnenkomt, betekent dit een energiebesparing.
Maar er loert ook een gevaar bij kierdichting: als een woning kierdicht gemaakt is, dan is het van belang om iedere dag de woning enige tijd te ventileren door ramen of roosters open te zetten. Gebeurt dit niet, dan wordt de woning te vochtig en kan er bijvoorbeeld schimmelgroei optreden. Slechte ventilatie in combinatie met gebruik van open verbrandingstoestellen kan zelfs koolmonoxidevergiftiging veroorzaken.


Koudebruggen
Een koudebrug is een plaats waar relatief gezien veel warmte verloren gaat. Dit kan optreden op plaatsen waarbij de isolatie niet goed doorloopt. Bijvoorbeeld bij de aansluiting van de gevelisolatie op de vloerisolatie. Ook bij de aansluiting van een muur op een raam of deur kan een koudebrug ontstaan.
Een koudebrug is dus een koude plek waar luchtcondensatie en andere vochtproblemen (schimmelvorming) kunnen optreden. Koudebruggen moeten dus worden voorkomen.


Kozijnen (staal, hout, kunststof of aluminium)
In het algemeen wordt glas in houten of kunststof kozijnen geplaatst. In de woningbouw worden incidenteel aluminium kozijnen toegepast.

Tegenwoordig zijn de aluminium kozijnen met een koudebrugonderbreking uitgevoerd om winterklachten zoals condenswater op het aluminium profiel te voorkomen. In de beginjaren werden deze kozijnen niet altijd voorzien van een thermische onderbreking.

In het verleden werden ook wel stalen kozijnen toegepast. In de slanke stalen profielen kan geen isolatieglas worden geplaatst. Daarnaast zijn deze kozijnen niet thermisch onderbroken en kan de kierdichting niet worden verbeterd.


Lokale gasverwarming
Bij lokale gasverwarming kan met behulp van één toestel één kamer worden verwarmd. Lokale gasverwarming komt vrijwel alleen voor in oudere woningen. Voorbeelden zijn gashaarden en gaskachels:

  • De meeste gashaarden zijn open verbrandingstoestellen die de benodigde verbrandingslucht uit het vertrek zelf halen.
  • Gaskachels zijn gesloten toestellen. De lucht voor verbranding komt via de gevel naar binnen en de verbrandingsgassen gaan in omgekeerde richting naar buiten.
Als de kachel of openhaard uitsluitend gebruikt wordt als sfeerverwarming naast de centrale verwarming, dan hoeft deze niet te worden aangegeven in de berekening.


Mechanische ventilatie
In nieuwere woningen is vaak een ventilator aanwezig die vieze luchtjes, vocht en CO2 uit badkamer, keuken en toilet afzuigen. Deze ventilator hangt vaak op de zolderverdieping. De verse lucht wordt bij de meeste woningen via roosters bij de ramen naar binnengebracht. Dit systeem wordt ook wel een mechanisch ventilatiesysteem of mechanische afzuiging genoemd.

Principeschema mechanische ventilatie

Kenmerken van mechanische afzuiging zijn:

  • Onder alle weersomstandigheden gecontroleerde luchtverversing
  • Veel minder uitvoeringsgevoelig dan een natuurlijke afvoer
  • Niet uit te schakelen
  • Soms aanvullende maatregelen noodzakelijk door gevaar terugzuigen rookgassen

Mechanische afzuiging kost iets meer energie, maar is dus wel goed voor de kwaliteit van de lucht in de woning. Er zijn ook (nieuwe) woningen waarin de verse lucht ook via een ventilator naar binnen gebracht wordt. Dit heet gebalanceerde ventilatie.


Nader Voorschrift
Het energieprestatiecertificaat is per 1 januari 2015 overgegaan in de Energie-Index. De Energie-Index is in verband met het woningwaarderingsstelsel (WWS) een verplicht instrument. De Energie-Index wordt berekend volgens de methodiek van NEN 7120 in combinatie met het Nader Voorschrift. In het Nader Voorschrift zijn aanvullende bepalingen en rekenregels voor bestaande woningen opgenomen.

Voor meer informatie zie www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/energielabel-installatiekeuringen/informatie-doelgroep/woningcorporatie


Na-isolatie
Het verbeteren van de isolatie van een gevel, vloer of dak.


Natuurlijke ventilatie

In oudere woningen is vaak geen ventilator aanwezig om de vieze luchtjes, vocht en CO2 uit badkamer, keuken en toilet af te zuigen. Zo’n woning noemen we een natuurlijk geventileerde woning. In een natuurlijk geventileerde woning moeten (klep)raampjes, roosters en ventilatie­kanalen ervoor zorgen dat er voldoende frisse lucht in de woning komt. Een volledig natuurlijke ventilatie is daardoor een gebruikers- en uitvoeringsgevoelig ventilatiesysteem.
Luchtverversing in een natuurlijk geventileerde woning komt tot stand via de drukverschillen die onder meer ontstaan door wind en temperatuur.


PV-cellen
PV-cellen zijn zonnepanelen die elektriciteit opwekken en niet, zoals bij zonnecollectoren, warmte. PV-cellen liggen op het dak. Oudere modellen en hebben vaak een gevlekte blauwe of bruine kleur. De moderne PV-panelen zijn volledig zwarte platen.


Raamisolatie leefruimten
In dit veld geeft u aan welk type glas in de woonkamer en de keuken het meest voorkomt: enkel glas, dubbel glas, HR-glas of drievoudig glas. Zie voor een beschrijving van deze glastypes elders in deze begrippenlijst. Zie ook Glas.


Raamisolatie slaapruimten
In dit veld geeft u aan welk type glas in de slaapkamers het meest voorkomt: enkel glas, dubbel glas, HR-glas of drievoudig glas. Zie voor een beschrijving van deze glastypes elders in deze begrippenlijst. Zie ook Glas.


Rendement berekenen
De maatregelen die kunnen worden genomen, gaan niet allemaal even lang mee. Een nieuwe verwarmingsketel zal waarschijnlijk sneller moeten worden vervangen dan isolatie die in de woning wordt aangebracht. In de Energiebesparingsverkenner wordt uitgegaan van een gemiddelde levensduur van 25 jaar.

Er zijn verschillende manieren om de investering te financieren. Het kan zijn dat de verbouwing of vervanging wordt betaald uit spaargeld, maar het kan ook nodig zijn om het benodigde bedrag te lenen, bijvoorbeeld via een persoonlijke lening of verhoging van de hypotheek. Een Euro in de toekomst is minder waard dan nu. Om een goede vergelijking te maken, moeten betalingen die in de toekomst gedaan worden, omgerekend worden naar euro's van nu. In de Energiebesparings¬verkennner worden de besparingen per jaar getoond. Om een indicatie te geven van het financiële effect van de investering vergelijken we het rendement van de investering met het rendement dat u op uw spaarrekening zou ontvangen voor hetzelfde bedrag.

Hoe berekenen we het rendement? Als je geld hebt, kun je het op een spaarrekening zetten. Ieder jaar groeit het spaarbedrag met de jaarlijkse rente. Je kunt het ook uitgeven aan energiebesparende maatregelen. Je bent in het begin je geld kwijt, maar je bespaart op energiekosten. Door stijgende energieprijzen wordt deze besparing ieder jaar iets groter. Als je de besparing ieder jaar op een spaarrekening zet, krijg je daarop ook weer rente. Op basis van het bedrag op de rekening aan het einde van de looptijd (bij isolatie, dubbel glas en zonnepanelen is dat 25 jaar; bij installaties voor verwarming en ventilatie is dat 15 jaar) berekenen wij met welke spaarrente dit overeenkomt.

In formulevorm:

x is een hulpvariabele:

De volgende parameters zijn van belang:
- FR = financieel rendement
- IE = investeringskosten in energiebesparing
- BEK = besparing op energiekosten per jaar
- N = looptijd (25 jaar)
- kel = jaarlijkse stijging van de elektriciteitsprijs
- kgas = jaarlijkse stijging van de gasprijs
- kwarmte = jaarlijkse stijging van de warmteprijs
- kbiomassa = jaarlijkse stijging van de biomassaprijs
- r = rente op de spaarrekening

Het rendement wordt afgerond op gehele procenten
Meer achtergrondinformatie vind je op: www.milieucentraal.nl/rendement.


Specifieke investering voor de energiebesparing
Dit zijn alléén de kosten die nodig zijn om de energiebesparing te realiseren. Zie ook Investering.


Spouwmuren
Buitenmuren die bestaan uit twee muren met daartussen een ruimte, de spouw. In de spouw kan een isolatiemateriaal aangebracht zijn of naderhand aangebracht worden (na-isolatie).


Stadsverwarming
Zie warmtelevering.


Stalen kozijnen
Ramen en deuren met een stalen kozijn.


Totale investering
Alle kosten die nodig zijn om een maatregel te realiseren. Dit omvat alle kosten, materiaalkosten en arbeidsloon, van voorbereiding tot en met uitvoering. Zie ook Investering.


Vloerisolatie
Isolatie van de begane grondvloer van een woning.

Isolatiewaarden van vloeren
Als standaardwaarde wordt de categorie getoond die het meest voorkomt bij het gekozen woningtype uit de gekozen periode. De bijbehorende Rc-waarde sluit aan op de Voorbeeldwoningen Bestaande Bouw 2011 en op de energielabelmethodiek. De standaardwaarde kan overschreven worden als bekend is dat de isolatie van de vloer afwijkt van de standaardwaarde. Dit kan met name het geval zijn bij oudere woningen die na-geïsoleerd zijn.

bouwjaar geen isolatie matige isolatie goede isolatie zeer goede isolatie uitmuntende isolatie
vóór 1975 0 cm (0,15 m2K/W) 3 cm (0,82 m2K/W) 8 cm (1,93 m2K/W) 17 cm (3,93 m2K/W) 6 m2K/W
1976 – 1987 0 cm (0,15 m2K/W) 5 cm (1,26 m2K/W) 10 cm (2,44 m2K/W) 17 cm (3,93 m2K/W) 6 m2K/W
na 1988 5 cm (1,26 m2K/W) 10 cm (2,44 m2K/W) 17 cm (3,93 m2K/W) 6 m2K/W

De gehanteerde isolatiedikte is in cm aangegeven. Tussen de haakjes staan de Rc-waarden in m2K/W. Een hoge warmteweerstand (Rc) komt overeen met een goede (hoge) isolatie.

Bij uitmuntende isolatie is alleen de Rc-waarde vermeld. De benodigde dikte hangt af van het gebruikte isolatiemateriaal. Bij deze categorie worden doorgans betere isolatiematerialen toegepast om de dikte te beperken.

Bouwjaar vóór 1988

  • Bij het isolatieniveau 'geen' is de begane grondvloer niet geïsoleerd.
  • Bij matige isolatie is in het verleden een (matige) isolatie toegepast (3-5 cm). Dit betreft met name woningen die gebouwd of nageïsoleerd zijn in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw.
  • Van een goede isolatie is sprake bij een isolatiemateriaal van 8-10 cm dikte. Vloeren die in de jaren 90 van de vorige eeuw of later zijn na-geïsoleerd hebben doorgaans een goede isolatie.
  • Woningen die zeer goed zijn na-geïsoleerd hebben een isolatiedikte van 17 cm.

Bouwjaar na 1988

  • Woningen van na 1988 zijn in de regel al geïsoleerd, het niveau 'geen' bestaat daarom niet.
  • Bij wat oudere woningen uit deze periode kan een matige isolatie voorkomen (5 cm)
  • Bij nieuwere woningen (in ieder geval woningen gebouwd na 1992) zal een goede isolatie aanwezig zijn (10 cm).
  • Woningen die zeer goed zijn geïsoleerd hebben een isolatiedikte van 17 cm.


Reflecterende folies
Reflecterende folies en thermoskussens zijn ook vormen van vloerisolatie. Deze hebben een Rc-waarde van respectievelijk 1,0 en 1,5 m2K/W. Dit komt over het algemeen overeen met isolatieniveau 'matig'. Er zijn reflecterende folies met een Rc-waarde van 2,7 m2K/W of meer. In dat geval moet gekozen worden voor niveau 'goed'.


Vermeden CO2
Zie CO2.


Vraaggestuurde ventilatie met CO2-sturing

Dit systeem is een mechanisch ventilatiesysteem. Het bestaat uit een ventilator die vieze lucht afvoert naar buiten. De verse lucht wordt aangevoerd via toevoerroosters bij de ramen. Bij dit systeem meten CO2-sensoren de luchtkwaliteit in verschillende vertrekken. Via centrale elektronische aansturing kan de ventilatie-unit dan meer of minder lucht afvoeren. Hierdoor wordt altijd de optimale hoeveelheid geventileerd (niet te veel en niet te weinig).


VR-combiketel
Een VR-combiketel is een verwarmingsketel waarmee ook warm water gemaakt wordt. VR staat voor Verbeterd Rendement. Het rendement van een VR-ketel is slechter dan dat van een HR-ketel, maar beter dan dat van een CR-ketel. De VR-ketel heeft een rendement van ongeveer 75-85%.

VR-toestellen zijn toegepast als open- of gesloten verbrandingstoestellen:

  • Open VR-toestellen zijn te herkennen aan het enkele rookgasafvoerkanaal (circa 10 cm dik). De lucht die voor de verbranding nodig is, komt uit het vertrek waar het toestel staat opgesteld. Bij deze toestellen is voldoende toevoerlucht en een goed functionerend rookgasafvoerkanaal erg belangrijk.
  • Gesloten VR-toestellen zijn te herkennen aan twee dikke buizen (circa 10 cm dik) die op de ketel zijn aangesloten. De lucht die voor verbranding nodig is, wordt van buiten toegevoerd via de ene buis. Via de andere buis worden de verbrandingsgassen naar buiten afgevoerd.


VR-ketel
Een VR-ketel is een verwarmingsketel die alleen de ruimteverwarming verzorgt. Voor het warm water is een apart toestel aanwezig, bijvoorbeeld een boiler of een geiser. VR staat voor Verbeterd Rendement. Zie voor verdere uitleg: VR-combiketel.


Warm tapwater
Warm water voor douchen, afwassen etc.


Warmtegebruik
Het warmtegebruik is het energiegebruik indien de woning is aangesloten op stadsverwarming of warmtelevering door derden. Het warmtegebruik wordt uitgedrukt in GJ (1 gigajoule= ± 28 m³ gas).

Warmtelevering
Bij warmtelevering door derden wordt gebruik gemaakt van een warmtebron. Dit kan zijn een centraal geplaatste opwekker of de restwarmte van een fabriek of elektriciteitscentrale. De warmte wordt via een leidingsysteem naar de woningen getransporteerd en daar via een warmtewisselaar afgegeven. Woningen die zijn aangesloten op warmtelevering hebben meestal geen gasaansluiting. In sommige gevallen is de geleverde temperatuur laag, om zo transportverliezen te beperken. Dit betekent dat de woning geschikt moet zijn om met deze lage temperatuur comfortabel verwarmd te kunnen worden. Dit houdt in goede isolatie en een afgiftesysteem geschikt voor lage temperatuur.
In de verkenner worden alleen de kosten voor aanpassingen in de woning meegenomen, en dus niet de kosten voor de aanleg van een warmtenet.


Warmtepomp bodem
Een warmtepomp bodem onttrekt in de winter warmte en in de zomer koelte aan de bodem. In de winter wordt met de warmte uit de bodem de woning verwarmd; in de zomer wordt met de koelte uit de bodem de woning gekoeld. Woningen met een dergelijk duurzaam klimaatsysteem stoten aanzienlijk minder broeikasgassen (zoals CO2) uit dan gewone nieuwbouwwoningen.


Principeschema warmtepomp

Voor het toepassen van een warmtepomp is het van belang dat de woning eerst goed geïsoleerd wordt. Als dat niet het geval is, zal een warmtepomp met een veel groter vermogen nodig zijn, die onnodig duur is. Daarnaast is het van belang dat er een zogenaamd Lage Temperatuur afgiftesysteem in de woning aanwezig is, bijvoorbeeld vloerverwarming of extra grote radiatoren. Let op: de kosten voor het aanbrengen van zo'n Lage Temperatuur afgiftesysteem zijn in de Energiebesparingsverkenner opgenomen. In de Energiebesparingsverkenner wordt uitgegaan van een combi warmtepomp: deze levert warmte voor zowel ruimteverwarming als voor warm water.


Warmtepomp lucht
De warmtepomp lucht onttrekt warmte aan de buitenlucht en geeft deze af aan de woning. Een warmtepomp lucht kan gecombineerd worden met een HR-ketel of een elektrische bijstook. In de Energiebesparingsverkenner is gekozen voor elektrische bijstook.


Principeschema warmtepomp

Een warmtepomp wordt vaak toegepast in combinatie met een lage temperatuur verwarmingssysteem (LTV). In de Energiebesparingsverkenner wordt uitgegaan van een combi warmtepomp. Deze levert warmte voor zowel ruimteverwarming als warm water. Zie ook warmtepomp bodem.


Warmtepompboiler
Met een warmtepompboiler kan op een energiezuinige manier warm water worden gemaakt. Dit toestel is energiezuinig omdat de warmte uit de afgezogen ventilatielucht gehaald wordt om het tapwater te verwarmen. In de woning is een groot boilervat aanwezig waarin het warme leidingwater wordt opgeslagen. Dit warme leidingwater kan gebruikt worden voor bijv. douchen. Omdat de warmte uit de ventilatielucht gebruikt wordt is het noodzakelijk dat er mechanische afzuiging in de woning aanwezig is. Gebalanceerde ventilatie is niet mogelijk in combinatie met een warmtepompboiler, omdat bij gebalanceerde ventilatie ook de warmte uit de afgezogen lucht wordt gebruikt en warmte maar één keer hergebruikt kan worden.


Wooncomfort
Zie comfort indicatie.


Zonneboiler
Met een zonneboiler kan warm water worden gemaakt. Bij een woning met een zonneboiler ligt op het dak een grote zwarte plaat, de zonnecollector. Door deze plaat stroomt een vloeistof die door de zon verwarmd wordt. Deze warme vloeistof wordt gebruikt om het leidingwater (voor) te verwarmen. In de woning is een groot boilervat aanwezig waarin het warme leidingwater wordt opgeslagen. Dit warme leidingwater kan gebruikt worden voor bijv. douchen. In sommige gevallen is het boilervat direct onder de zonnecollector op het dak opgenomen.

Sommige zonnecollectoren lijken op PV-cellen, maar het zijn twee totaal verschillende systemen. PV-cellen zijn bestemd voor de opwekking van elektriciteit en hebben vaak een gevlekte blauwe of bruine kleur. Zonnecollectoren zijn egaal zwart. Een zonneboiler in een flat-/appartementengebouw heeft alleen zin als de woning op de bovenste twee verdiepingen ligt. Als dat niet het geval is zal de opbrengst lager zijn dan in de Energiebesparingsverkenner wordt aangegeven.


Filter

Selecteer hieronder het gewenste woningtype:

Vrijstaand t/m 1945 en 1946-1964

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode tot en met 1964’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De vrijstaande woningen die zijn gebouwd tot en met 1964, vertegenwoordigen, met 441.000 woningen, 6,5% van de Nederlandse woningvoorraad. Ongeveer 91% hiervan is in eigendom van de bewoner en ongeveer 8% wordt in de particuliere sector verhuurd. De sociale huursector is bijna niet vertegenwoordigd in deze categorie (1%). De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 4 tot 6 kamers, verdeeld over 2 tot 4 woonlagen. De woningen worden voor de helft bewoond door 35-54 jarigen en het merendeel door tweepersoons huishoudens, zowel met (41%) als zonder (33%) kinderen. Vaak hebben deze woningen een begane grondvloer die van hout is. Deze houten begane grondvloeren komen in dit type woningen zelfs tot eind jaren ’70 voor.

Oorspronkelijk energetisch niveau

In de periode tot en met 1964 werden aan de energiezuinigheid van woningen nog geen eisen gesteld. De woningen werden daarom niet geïsoleerd. Tot circa 1930 werden er geen spouwmuren toegepast. In de woningen die voor 1960 gebouwd zijn, kwamen vaak stalen kozijnen en zacht houten kozijnen voor met enkel glas. Veel woningen werden in die tijd uitgerust met lokale gaskachels, elektrische boilers en natuurlijke ventilatie. Centrale verwarming werd op beperkte schaal toegepast.

Huidige energetisch niveau

Een deel van deze woningen is in de loop der jaren energetisch verbeterd. Bijna 90% van deze woningen heeft inmiddels centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 40% en HR100 28%). Een beperkt deel van de woningen heeft een andere ketel (CR 8%, VR 9%) of wordt nog lokaal verwarmd (11%). Naast combiketels worden ook elektrische boilers (7%), gasboilers (5%) en keukengeisers (5%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 10%. Bij na-isolatie ligt het accent op het plaatsen van dubbelglas (58% van het glasoppervlak) en HR glas (13%). Na-isolatie van de dichte delen blijft hierbij achter. Van de dichte geveldelen is 19% geïsoleerd, van het vloeroppervlak 17%, van het hellende dak 24% en van het platte dak 33%. Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (89%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging. 18% van de woningen is voorzien van kierdichting.

Vrijstaand 1965-1974

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode van 1965 tot en met 1974’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De vrijstaande woningen die zijn gebouwd in de periode van 1965 tot en met 1974, vertegenwoordigen met 119.000 woningen 1,8% van de Nederlandse woningvoorraad. Het merendeel, namelijk 95%, is in eigendom van de bewoner en ongeveer 4% wordt in de particuliere sector en 1% in de sociale sector verhuurd. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 4 tot 6 kamers, verdeeld over 2 tot 4 woonlagen. De woningen worden met name bewoond door 35+ers (98%), waarvan 43% 65 jaar of ouder is. De woningen worden bewoond door tweepersoons huishoudens, zowel met (38%) als zonder kinderen (45%). De woningen zijn vaak traditioneel gebouwd.

Oorspronkelijke energetische niveau

Sinds 1965 worden er eisen gesteld aan de energetische kwaliteit van woningen. Toch werden de woningen naar huidige nieuwbouw maatstaven niet erg goed geïsoleerd. Voor het ventileren van deze woningen werd gebruik gemaakt van natuurlijke ventilatie. Centrale verwarming werd bij dit type woning in de loop der jaren op steeds grotere schaal toegepast.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Een deel van deze woningen is in de loop der jaren energetisch verbeterd. Vrijwel alle woningen hebben centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 38% en HR100 32%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (CR 13%, VR 16%) of wordt nog lokaal verwarmd (1%). Naast combiketels worden ook elektrische boilers (3%), gasboilers (4%) en keukengeisers (4%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 18%. Bij na-isolatie ligt het accent op het plaatsen van dubbelglas (69% van het glasoppervlak) en HR glas (14%). Na-isolatie van de dichte delen blijft hierbij achter. Van de dichte geveldelen is 20% geïsoleerd, van het vloeroppervlak 15%, van het hellende dak 20% en van het platte dak 32%. Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (91%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging. Een behoorlijk deel van de woningen is voorzien van kierdichting (52%).

Vrijstaand 1975-1991

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode van 1975 tot en met 1991’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De vrijstaande woningen die zijn gebouwd in de periode van 1975 tot en met 1991, vertegenwoordigen met 221.000 woningen 3,3% van de Nederlandse woningvoorraad. Het merendeel, namelijk 96%, is in eigendom van de bewoner en ongeveer 4% wordt in de particuliere sector verhuurd. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 4 tot 7 kamers, verdeeld over 2 tot 4 woonlagen. Meer dan de helft van de woningen heeft drie woonlagen. De woningen worden met name bewoond door 35-64 jarigen (77%) en door tweepersoons huishoudens, zowel met (39%) als zonder kinderen (41%). De woningen zijn vaak traditioneel gebouwd, maar de diversiteit van de woningen neemt toe.

Oorspronkelijke energetische niveau

De eisen aan de energetische kwaliteit van nieuwbouwwoningen zijn verhoogd in 1975 (Rc 1,3 m²K/W voor dak en dichte gevel), in 1979 (dubbele beglazing woonvertrek), in 1983 (Rc 1,3 m²K/W begane grondvloer) en in 1988 (Rc 2,0 m²K/W voor dak en dichte gevel). Vooral de woningen uit het eerste deel van deze periode werden naar huidige nieuwbouw maatstaven niet erg goed geïsoleerd. De woningen werden vooral natuurlijk geventileerd. Centrale verwarming werd in de loop der jaren op steeds grotere schaal toegepast.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Vrijwel alle woningen hebben centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 46% en HR100 24%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (CR 6%, VR 12%) of wordt nog lokaal verwarmd (2%). Naast combiketels worden ook elektrische boilers (5%), gasboilers (2%) en keukengeisers (7%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 18%. Het aandeel dubbelglas is groot (76% van het glasoppervlak). Een behoorlijk deel van het glasoppervlak van deze woningen is nog steeds enkelglas (15% van het glasoppervlak). Het aandeel HR glas is met 9% relatief laag. Alle dichte geveldelen zijn geïsoleerd, alleen is het isolatieniveau in de meeste gevallen niet erg hoog. Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (78%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging (20%) of, in een beperkt aantal woningen, gebalanceerde ventilatie (1%). De woningen zijn voorzien van kierdichting.

Vrijstaand 1992-1999 en 2000-2005

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode van 1992 tot en met 2005’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De vrijstaande woningen gebouwd in de periode van 1992 tot en met 2005 vertegenwoordigen met 178.000 woningen ongeveer 2,6% van de Nederlandse woningvoorraad. Het merendeel, namelijk 98%, is in eigendom van de bewoner en ongeveer 2% wordt in de particuliere sector verhuurd. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 4 tot 7 kamers, verdeeld over 2 tot 4 woonlagen. Ruim 70% van de woningen heeft drie woonlagen. De woningen worden met name bewoond door 35-64 jarigen (87%) en door tweepersoons huishoudens, zowel met (54%) als zonder kinderen (36%). De periode 1992 tot 2005 wordt bij de vrijstaande woningen gekenmerkt door de opkomst van de houtskeletbouwwoningen en de ‘catalogusbouw’.

Oorspronkelijke energetische niveau

De woningen uit deze periode zijn goed geïsoleerd. In 1992 zijn de isolatie-eisen verhoogd waardoor dubbelglas en isolatie van de gevel, vloer en het dak (Rc 2,5 m²K/W) gemeengoed werden. Voor het verwarmen van de woning werd de HR-ketel op grote schaal toegepast. Ook kwam er aandacht voor het mechanisch ventileren van de woning met een afzuigventilator.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Vrijwel alle woningen hebben centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 49% en HR100 31%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (VR 11%). Naast combiketels worden zeer beperkt elektrische boilers (2%) en gasboilers (5%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 13%. Bij alle woningen is bij oplevering dubbelglas (45% van het glasoppervlak) of HR-glas (54%) toegepast. Zeer beperkt is nog enkelglas toegepast (1%). Alle dichte geveldelen zijn geïsoleerd, waarvan het isolatieniveau tenminste voldoet aan de huidige eisen (Rc 2,5 m²K/W). Het grootste deel van de woningen is voorzien van mechanische ventilatie (48%). Daarnaast komt natuurlijke ventilatie voor (35%) en is balansventilatie met warmteterugwinning in opkomst (16%). Alle woningen zijn voorzien van kierdichting.

Vrijstaand 2006-2013 en 2014-heden

Algemeen

De woningen uit deze bouwperiode werden zeer goed geïsoleerd, waarbij HR-glas standaard werd toegepast. De woningen werden voorzien van centrale verwarming met een HR-ketel, al dan niet in combinatie met een zonneboiler, en mechanische ventilatie. Ook werden in deze periode woningen met een warmtepomp uitgevoerd.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Doordat deze woningen van oorsprong goed geïsoleerd zijn, is er geen sprake van naisolatie.

2 onder 1 kap t/m 1945 en 1946-1964

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode tot en met 1964’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De 2 onder 1 kap woningen die zijn gebouwd tot en met 1964, vertegenwoordigen met 285.000 woningen, zo’n 4,2% van de Nederlandse woningvoorraad. Daarvan is 84% in eigendom van de bewoner, 10% wordt verhuurd in de sociale sector en 6% in de particuliere sector. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 4 tot 5 kamers, verdeeld over 3 tot 4 woonlagen. Ruim de helft van de woningen heeft drie woonlagen. De woningen worden voor de helft bewoond door 35-54 jarigen (47%). De overige door zowel oudere (38%) als jongere huishoudens (15%). De woningen worden bewoond door alleenstaanden (22%) en door tweepersoons huishoudens met (40%) en zonder kinderen (34%). Vaak hebben deze woningen hoge vertrekken op de begane grond en een begane grondvloer die van hout is. Deze houten begane grondvloeren komen in dit type woningen zelfs tot eind jaren ’70 voor.

Oorspronkelijke energetische niveau

In de periode tot 1965 werden er nog geen eisen aan de energiezuinigheid van woningen gesteld. De woningen werden daarom niet geïsoleerd. Tot circa 1930 werden er geen spouwmuren toegepast. In de woningen die voor 1960 gebouwd zijn, kwamen vaak stalen kozijnen en zacht houten kozijnen voor met enkel glas. Veel woningen werden in die tijd uitgerust met lokale gaskachels, elektrische boilers en natuurlijke ventilatie. Centrale verwarming werd op beperkte schaal toegepast.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Een deel van deze woningen is in de loop der jaren energetisch verbeterd. Ruim 90% van deze woningen heeft inmiddels centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 40% en HR100 25%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (CR 7%, VR 15%) of wordt nog lokaal verwarmd (9%). Naast combiketels worden ook elektrische boilers (7%), gasboilers (2%) en keukengeisers (9%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 10%. Bij na-isolatie ligt het accent op het plaatsen van dubbelglas (57% van het glasoppervlak) en HR glas (15%). Na-isolatie van de dichte delen blijft hierbij achter. Van de dichte geveldelen is 20% geïsoleerd, van het vloeroppervlak 14%, van het hellende dak 31% en van het platte dak 41%. Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (90%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging (7%) en gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning (2%). Van de woningen is 26% voorzien van kierdichting.

2 onder 1 kap 1965-1974

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode 1965 tot en met 1974’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De 2 onder 1 kap woningen die zijn gebouwd in de periode van 1965 tot en met 1974, vertegenwoordigen met 142.000 woningen 2,1% van de Nederlandse woningvoorraad. Daarvan is 84% in eigendom van de bewoner, 14% wordt verhuurd in de sociale sector en 2% in de particuliere sector. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 4 tot 5 kamers, verdeeld over 3 woonlagen. De woningen worden met name bewoond door 35+ers (96%), waarbij 35% 65 jaar of ouder is. De woningen worden bewoond door alleenstaanden (19%) en door tweepersoons huishoudens met (32%) en zonder kinderen (48%). De woningen zijn vaak traditioneel gebouwd.

Oorspronkelijke energetische niveau

Sinds 1965 zijn er eisen gesteld aan de energetische kwaliteit van woningen. Toch werden de woningen naar huidige nieuwbouw maatstaven niet erg goed geïsoleerd. Voor het ventileren van deze woningen werd gebruik gemaakt van natuurlijke ventilatie. Centrale verwarming werd bij dit type woning in de loop der jaren op steeds grotere schaal toegepast.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Een deel van deze woningen is in de loop der jaren energetisch verbeterd. Vrijwel alle woningen hebben centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 46% en HR100 24%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (CR 6%, VR 20%) of wordt nog lokaal verwarmd (3%). Naast combiketels worden ook elektrische boilers (5%), gasboilers (4%) en keukengeisers (9%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 24%. Bij na-isolatie ligt het accent op het plaatsen van dubbelglas (57% van het glasoppervlak) en HR glas (18%). Na-isolatie van de dichte delen blijft hierbij achter. Van de dichte geveldelen is 33% geïsoleerd, van het vloeroppervlak 10%, van het hellende dak 11% en van het platte dak 32%. Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (87%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging. Een behoorlijk deel van de woningen is voorzien van kierdichting (44%).

2 onder 1 kap 1975-1982, 1983-1987 en 1988-1991

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode 1975 tot en met 1991’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De 2 onder 1 kap woningen die zijn gebouwd in de periode van 1975 tot en met 1991, vertegenwoordigen met 224.000 woningen 3,3% van de Nederlandse woningvoorraad. Daarvan is 90% in eigendom van de bewoner, 4% wordt verhuurd in de sociale sector en 6% in de particuliere sector. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 4 tot 6 kamers, verdeeld over 3 woonlagen. De woningen worden met name bewoond door 35+ers (93%), waarbij 18% 65 jaar of ouder is. De woningen worden bewoond door tweepersoons huishoudens, waarvan het merendeel met kinderen (54%, 35% zonder). De woningen zijn vaak traditioneel gebouwd, maar de diversiteit van de woningen neemt toe.

Oorspronkelijke energetische niveau

De eisen aan de energetische kwaliteit van nieuwbouwwoningen zijn verhoogd in 1975 (Rc 1,3 m²K/W voor dak en dichte gevel), in 1979 (dubbele beglazing woonvertrek), in 1983 (Rc 1,3 m²K/W begane grondvloer) en in 1988 (Rc 2,0 m²K/W voor dak en dichte gevel). Vooral de woningen uit het eerste deel van deze periode werden naar huidige nieuwbouw maatstaven niet erg goed geïsoleerd. De woningen werden vooral natuurlijk geventileerd. Centrale verwarming werd in de loop der jaren op steeds grotere schaal toegepast. Opvallend in deze bouwperiode was dat de energetische eisen van woningen in de sociale huursector hoger waren dan die van de andere woningen. Zo moesten sociale huurwoningen in de woonvertrekken al vanaf 1975 worden voorzien van dubbelglas. Toch werd dubbelglas in ruime mate toegepast bij alle woningen. Daarnaast werd bij veel woningen vooral de vloer beter geïsoleerd dan vereist. Centrale verwarming met een VR-ketel werd op grote schaal toegepast.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Vrijwel alle woningen hebben centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 53% en HR100 22%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (CR 4%, VR 19%) of is aangesloten op stadsverwarming (warmtelevering derden 2%). Naast combiketels worden vrijwel geen andere toestellen als elektrische boilers, gasboilers of keukengeisers gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 16%. Het aandeel dubbelglas is groot (72% van het glasoppervlak). Een behoorlijk deel van het glasoppervlak van deze woningen is nog steeds enkelglas (20% van het glasoppervlak). Het aandeel HR glas is met 8% relatief laag. Alle dichte geveldelen zijn geïsoleerd, alleen is het isolatieniveau in de meeste gevallen niet erg hoog (zie hierboven). Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (55%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging (44%) of, in een beperkt aantal woningen, gebalanceerde ventilatie (1%). De woningen zijn voorzien van kierdichting.

2 onder 1 kap 1992-1999 en 2000-2005

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode 1992 tot en met 2005’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De 2 onder 1 kap woningen die zijn gebouwd in de periode 1992 tot en met 2005, vertegenwoordigen met 173.000 woningen, 2,6% van de Nederlandse woningvoorraad. Daarvan is 95% in eigendom van de bewoner en 2% wordt sociaal en 3% particulier verhuurd. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 4 tot 6 kamers, verdeeld over 3 woonlagen. De woningen worden met name bewoond door 35-54 jarigen (74%) en door tweepersoons huishoudens, waarvan het merendeel met kinderen (64%, 24% zonder). Het grootste deel van de woningen in deze categorie is traditioneel gebouwd, maar ook systeembouw komt veel voor.

Oorspronkelijke energetische niveau

De woningen uit deze periode zijn goed geïsoleerd. In 1992 zijn de isolatie-eisen verhoogd waardoor dubbelglas en isolatie van de gevel, vloer en het dak (Rc 2,5 m²K/W) gemeengoed werden. Voor het verwarmen van de woning werd de HR-ketel op grote schaal toegepast. Ook kwam er aandacht voor het mechanisch ventileren van de woning met een afzuigventilator.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Vrijwel alle woningen hebben centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 44% en HR100 31%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (VR 14%) of is aangesloten op stadsverwarming (warmtelevering derden 8%). Naast combiketels worden vrijwel geen andere toestellen als elektrische boilers, gasboilers of keukengeisers gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 11%. Bij alle woningen is bij oplevering dubbelglas (53% van het glasoppervlak) of HR-glas (44%) toegepast. Zeer beperkt is nog enkelglas toegepast (3%). Alle dichte geveldelen zijn geïsoleerd, waarvan het isolatieniveau tenminste voldoet aan de huidige eisen (Rc 2,5 m²K/W). Het grootste deel van de woningen is voorzien van mechanische ventilatie (62%). Daarnaast komt natuurlijke ventilatie voor (21%) en is balansventilatie met warmteterugwinning in opkomst (16%). Alle woningen zijn voorzien van kierdichting.

2 onder 1 kap 2006-2013 en 2014 - heden

Algemeen

De woningen uit deze bouwperiode werden zeer goed geïsoleerd, waarbij HR-glas standaard werd toegepast. De woningen werden voorzien van centrale verwarming met een HR-ketel, al dan niet in combinatie met een zonneboiler, en mechanische ventilatie. Ook werden in deze periode woningen met een warmtepomp uitgevoerd.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Doordat deze woningen van oorsprong goed geïsoleerd zijn, is er geen sprake van naisolatie.

Rijwoningen t/m 1945

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode tot en met 1945’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De vooroorlogse rijwoningen vertegenwoordigen met 523.000 woningen, ruim 7,7% van de Nederlandse woningvoorraad. Het merendeel, namelijk 71%, is in eigendom van de bewoner, ongeveer 23% wordt in de sociale sector verhuurd en 6% in de particuliere sector. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 3 tot 5 kamers, verdeeld over 3 woonlagen. De woningen worden met name bewoond door 35-54 jarigen (54%). Het aandeel 65+ers is gering (13%). De woningen worden bewoond door alleenstaanden (28%) en tweepersoons huishoudens met (37%) en zonder kinderen (28%). De woningen in deze categorie zijn traditioneel gebouwd, en hebben een begane grondvloer van hout.

Oorspronkelijke energetische niveau

In deze bouwperiode werden er nog geen eisen aan de energiezuinigheid van woningen gesteld. De woningen werden daarom niet geïsoleerd. Tot circa 1930 werden er geen spouwmuren toegepast. In de woningen kwamen vaak stalen kozijnen en zacht houten kozijnen voor met enkel glas. Veel woningen werden in die tijd uitgerust met lokale gaskachels, elektrische boilers en natuurlijke ventilatie. Centrale verwarming werd op beperkte schaal toegepast.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Een deel van deze woningen is in de loop der jaren energetisch verbeterd. Ruim 90% van deze woningen heeft inmiddels centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 35% en HR100 21%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (CR 8%, VR 26%) of wordt nog lokaal verwarmd (9%). Naast combiketels worden ook elektrische boilers (3%), gasboilers (3%) en keukengeisers (11%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 13%. Bij na-isolatie ligt het accent op het plaatsen van dubbelglas (52% van het glasoppervlak) en HR glas (10%). Na-isolatie van de dichte delen blijft hierbij sterk achter. Van de dichte geveldelen is 11% geïsoleerd, van het vloeroppervlak 12%, van het hellende dak 24% en van het platte dak 23%. Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (89%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging (9%). Van de woningen is 26% voorzien van kierdichting.

Rijwoningen 1946-1964

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode 1946 tot en met 1964’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De rijwoningen die zijn gebouwd in de periode 1946 tot 1965, vertegenwoordigen met 478.000 woningen,7,0% van de Nederlandse voorraad. Van deze woningen valt 57% in de sociale verhuur, 40% is eigendom van de bewoner en slechts 3% wordt particulier verhuurd. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 4 tot 5 kamers, verdeeld over 3 woonlagen. De woningen worden door alle leeftijdsgroepen bewoond. 14% door jonger dan 35, 57% is 35-64 jaar oud en 29% is 65 jaar of ouder. De woningen worden bewoond door alleenstaanden (32%) en tweepersoons huishoudens, zowel met (30%) als zonder kinderen (30%). Door de woningnood na de oorlog maakte de bouwnijverheid in deze periode een grote omslag van traditionele bouw naar meer industriële bouw. Hierbij lag de nadruk op een efficiënter bouwproces om de grote hoeveelheid nieuwbouw te kunnen realiseren. Een aspect van deze efficiency verbetering is de opkomst van de ‘systeembouw’. Opvallend in deze bouwperiode is dat de toepassing van houten vloeren afneemt.

Oorspronkelijke energetische niveau

In de periode tot 1965 werden er nog geen eisen aan de energiezuinigheid van woningen gesteld. De woningen werden daarom niet geïsoleerd. In de woningen die voor 1960 gebouwd zijn, kwamen vaak stalen kozijnen met enkel glas voor. Veel woningen werden in die tijd uitgerust met lokale gaskachels, elektrische boilers en natuurlijke ventilatie. Centrale verwarming werd op beperkte schaal toegepast.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Een deel van deze woningen is in de loop der jaren energetisch verbeterd. Ongeveer 90% van deze woningen heeft inmiddels centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 31% en HR100 23%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (CR 8%, VR 25%) of wordt nog lokaal verwarmd (10%). Naast combiketels worden ook elektrische boilers (3%), gasboilers (2%) en keukengeisers (16%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 11%. Bij na-isolatie ligt het accent op het plaatsen van dubbelglas (60% van het glasoppervlak) en HR glas (12%). Na-isolatie van de dichte delen blijft hierbij sterk achter. Van de dichte geveldelen is 27% geïsoleerd, van het vloeroppervlak 7%, van het hellende dak 16% en van het platte dak 14%. Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (91%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging (9%). Van de woningen is 27% voorzien van kierdichting.

Rijwoningen 1965-1974

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode 1965 tot en met 1974’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De rijwoningen die zijn gebouwd in de periode 1965-1974, vertegenwoordigen met 606.000 woningen, bijna 9% van de Nederlandse woningvoorraad. Bijna de helft (47%) is in eigendom van de bewoner. Een even groot deel wordt in de sociale sector verhuurd en 6% in de particuliere sector. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 4 tot 5 kamers, verdeeld over 3 woonlagen. De woningen worden door alle leeftijdsgroepen bewoond. 10% door jonger dan 35, 59% is 35-64 jaar oud en 31% is 65 jaar of ouder. De woningen worden bewoond door alleenstaanden (21%) en tweepersoons huishoudens, zowel met (31%) als zonder (40%) kinderen. Kenmerkend aan deze bouwperiode is dat systeembouw steeds meer wordt toegepast. Dit is vooral zichtbaar in de vloeren, die in beton worden uitgevoerd, en de kozijnvullingen met sandwichpanelen.

Oorspronkelijke energetische niveau

Sinds 1965 worden er eisen gesteld aan de energetische kwaliteit van woningen. Toch werden de woningen naar huidige nieuwbouw maatstaven niet erg goed geïsoleerd. Dubbelglas werd nog nauwelijks toegepast. Veel woningen werden in die tijd nog uitgerust met lokale gaskachels, waarbij centrale verwarming in opmars was.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Een deel van deze woningen is in de loop der jaren energetisch verbeterd. Vrijwel alle woningen hebben centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 38% en HR100 23%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (CR 8%, VR 25%) of wordt nog lokaal verwarmd (1%). Naast combiketels worden vooral keukengeisers (7%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 12%. Bij na-isolatie ligt het accent op het plaatsen van dubbelglas (60% van het glasoppervlak) en HR glas (18%). Na-isolatie van de dichte delen blijft hierbij achter. Van de dichte geveldelen is 35% geïsoleerd, van het vloeroppervlak 8%, van het hellende dak 17% en van het platte dak 26%. Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (82%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging. Een deel van de woningen is voorzien van kierdichting (35%).

Rijwoningen 1975-1982, 1983-1987 en 1988-1991

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode 1975 tot en met 1991’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De rijwoningen die zijn gebouwd in de periode 1975-1991, vertegenwoordigen met 879.000 woningen, 12,9% van de Nederlandse woningvoorraad. Zo’n 61% is in eigendom van de bewoner, ongeveer 34% wordt in de sociale sector verhuurd en 5% in de particuliere sector. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 4 tot 5 kamers, verdeeld over 3 woonlagen. De woningen worden met name bewoond door 35-64 jarigen (73%). De woningen worden bewoond door alleenstaanden (20%) en tweepersoons huishoudens, zowel met (43%) als zonder (28%) kinderen. Kenmerkend aan deze bouwperiode is dat de systeembouw zich steeds verder ontwikkelt. Hierbij valt vooral te denken aan wanden en gevels die van prefab-beton of gietbouw gemaakt worden. Nieuw in deze periode zijn betonvloeren met isolatie. De systeembouw ontwikkelt zich verder door de introductie van prefab betonnen puien en systeemdaken.

Oorspronkelijke energetische niveau

De eisen aan de energetische kwaliteit van nieuwbouwwoningen zijn verhoogd in 1975 (Rc 1,3 m²K/W voor dak en dichte gevel), in 1979 (dubbele beglazing woonvertrek), in 1983 (Rc 1,3 m²K/W begane grondvloer) en in 1988 (Rc 2,0 m²K/W voor dak en dichte gevel). Vooral de woningen uit het eerste deel van deze periode werden naar huidige nieuwbouw maatstaven niet erg goed geïsoleerd. Opvallend in deze bouwperiode was dat de energetische eisen van woningen in de sociale huursector hoger waren dan die van de andere woningen. Zo moesten sociale huurwoningen in de woonvertrekken al vanaf 1975 worden voorzien van dubbelglas. Toch werd dubbelglas in ruime mate toegepast bij alle woningen. Daarnaast werd bij veel woningen vooral de vloer beter geïsoleerd dan vereist. Centrale verwarming met een VR-ketel werd op grote schaal toegepast.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Vrijwel alle woningen hebben centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 44% en HR100 19%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (CR 3%, VR 26%), wordt nog lokaal verwarmd (1%) of is aangesloten op stadsverwarming (warmtelevering derden 5%). Naast combiketels worden vrijwel geen andere toestellen als elektrische boilers, gasboilers of keukengeisers gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 12%. Een deel van de woningen is al vanaf de oplevering voorzien van dubbelglas. Dit deel van het glasoppervlak zal niet snel door HR glas worden vervangen. Het aandeel dubbelglas is groot (69% van het glasoppervlak). Een behoorlijk deel van het glasoppervlak van deze woningen is nog steeds enkelglas (21% van het glasoppervlak). Het aandeel HR glas is 10%. Alle dichte geveldelen zijn geïsoleerd, alleen is het isolatieniveau in de meeste gevallen niet erg hoog. Het grootste deel van de woningen is voorzien van mechanische ventilatie (53%). Daarnaast komt vooral natuurlijke ventilatie voor (44%) en beperkt balansventilatie met warmteterugwinning (2%). Alle woningen zijn voorzien van kierdichting.

Rijwoningen 1992-1999 en 2000-2005

Deze woning valt in de categorie ‘gebouwd in de periode 1992 tot en met 2005’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De rijwoningen die zijn gebouwd in de periode 1992-2005, vertegenwoordigen met 353.000 woningen, zo’n 5,2% van de Nederlandse woningvoorraad. Daarvan is 78% in eigendom van de bewoner, ongeveer 19% wordt in de sociale sector verhuurd en 3% in de particuliere sector. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 4 tot 5 kamers, verdeeld over 2 of 3 woonlagen. De woningen worden met name bewoond door jonger dan 35 (25%) en 35-54 jarigen (59%). De woningen worden bewoond door alleenstaanden (13%) en tweepersoons huishoudens, zowel met (48%) als zonder (29%) kinderen. Kenmerkend aan deze bouwperiode is dat er nog maar weinig rijwoningen traditioneel gebouwd worden. Systeembouw is de meest gangbare bouwmethode, met veel verschillende bouwsystemen.

Oorspronkelijke energetische niveau

De woningen uit deze periode zijn goed geïsoleerd. In 1992 zijn de isolatie-eisen verhoogd waardoor dubbelglas en isolatie van de gevel, vloer en het dak (Rc 2,5 m²K/W) gemeengoed werden. Voor het verwarmen van de woning werd gebruik gemaakt van centrale verwarming met een VR-ketel.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Vrijwel alle woningen hebben centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 43% en HR100 24%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (VR 16%), lokale gasverwarming (1%) of is aangesloten op stadsverwarming (warmtelevering derden 13%). Naast combiketels worden vrijwel geen andere toestellen als elektrische boilers, gasboilers of keukengeisers gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 7%. Bij alle woningen is bij oplevering dubbelglas (43% van het glasoppervlak) of HR-glas (55%) toegepast. Zeer beperkt is nog enkelglas toegepast (2%). Alle dichte geveldelen zijn geïsoleerd, waarvan het isolatieniveau tenminste voldoet aan de huidige eisen (Rc 2,5 m²K/W). Het grootste deel van de woningen is voorzien van mechanische ventilatie (73%). Daarnaast komt natuurlijke ventilatie voor (12%) en is balansventilatie met warmteterugwinning in opkomst (14%). Alle woningen zijn voorzien van kierdichting.

Rijwoningen 2006-2013 en 2014 - heden

Algemeen

De woningen uit deze bouwperiode werden zeer goed geïsoleerd, waarbij HR-glas standaard werd toegepast. De woningen werden voorzien van centrale verwarming met een HR-ketel, al dan niet in combinatie met een zonneboiler, en mechanische ventilatie. Ook werden in deze periode woningen met een warmtepomp uitgevoerd.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Doordat deze woningen van oorsprong goed geïsoleerd zijn, is er geen sprake van naisolatie.

Meergezinswoning, 1 woonlaag t/m 1945

Deze woning valt in de categorie ‘portiekwoningen gebouwd in de periode tot en met 1945’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De portiekwoningen die zijn gebouwd tot en met 1945, vertegenwoordigen met 256.000 woningen ongeveer 3,8% van de Nederlandse woningvoorraad. Het merendeel, 40%, wordt verhuurd in de particuliere sector en 37% in de sociale sector, de resterende 23% zijn koopwoningen. De woningen hebben vaak 2 tot 4 kamers. De woningen zijn onderdeel van een flatgebouw met meerdere verdiepingen, zonder lift. De woningen zijn bereikbaar via een gesloten portiek (45%) of het betreft beneden/bovenwoningen met 1 woonlaag (40%). De woningen komen vooral voor in de grote steden. Ze worden bewoond door vooral jonge huishoudens: jonger dan 35 jaar (39%), 35-54 jaar (37%). De woningen worden vooral bewoond door éénpersoons- (63%) en tweepersoonshuishoudens zonder kinderen (22%). De woningen zijn op een traditionele manier gebouwd.

Oorspronkelijke energetische niveau

In deze bouwperiode werden er nog geen eisen aan de energiezuinigheid van woningen gesteld. De woningen werden daarom niet geïsoleerd. Tot circa 1930 werden er geen spouwmuren toegepast. In de woningen kwamen vaak stalen kozijnen met enkel glas voor. Veel woningen hadden in die tijd lokale gaskachels, elektrische boilers en natuurlijke ventilatie.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Een deel van deze woningen is in de loop der jaren energetisch verbeterd. Ongeveer 61% van deze woningen heeft inmiddels centrale verwarming, waarvan 2% blokverwarming. De overige woningen worden vooral lokaal verwarmd (39%). Bij de individuele centrale verwarmingssystemen komt de VR combiketel het meeste voor (27%), gevolgd door de HR combiketel (HR107 13% en HR100 10%) en de CR ketel 6%. Het tapwater wordt vooral verwarmd door combiketels (50%, zowel VR als HR) en keukengeisers (36%). Het aandeel keukenboilers is 3%. Bij na-isolatie ligt het accent op het plaatsen van dubbelglas (50% van het glasoppervlak) en in mindere mate op HR glas (4%). Nog 47% van het glasoppervlak in de woningen is voorzien van enkelglas. Na-isolatie van de dichte delen blijft hierbij achter. Van de dichte geveldelen is 3% geïsoleerd, van het vloeroppervlak 2%, van het hellende dak 42% en van het platte dak 18%. Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (82%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging (16%) en heel beperkt balansventilatie met warmteterugwinning (1%). Van de woningen is 16% voorzien van kierdichting.

Meergezinswoning, 1 woonlaag 1946-1964

Deze woning valt in de categorie ‘portiekwoningen gebouwd in de periode 1946 tot en met 1964’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De portiekwoningen die zijn gebouwd in de periode voor 1946-1964, vertegenwoordigen met 267.000 woningen ongeveer 3,9% van de Nederlandse woningvoorraad. Het merendeel, 66%, wordt verhuurd in de sociale sector en 17% in de particuliere sector, de resterende 17% zijn koopwoningen. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 2 tot 4 kamers. De woningen zijn onderdeel van een flatgebouw met meerdere verdiepingen, zonder lift. De woningen zijn bereikbaar via een gesloten portiek (89%) en worden bewoond door met name jonge huishoudens: jonger dan 35 (43%), 35-54 jarigen (30%). De woningen worden vooral bewoond door alleenstaanden (51%) en tweepersoons huishoudens zonder kinderen (21%). Door de woningnood na de oorlog maakte de bouwnijverheid in deze periode een grote omslag van traditionele bouw naar meer industriële bouw. Hierbij lag de nadruk op een efficiënter bouwproces om de grote hoeveelheid nieuwbouw te kunnen realiseren. Een aspect van deze efficiency verbetering is de opkomst van de ‘systeembouw’ na de oorlog.

Oorspronkelijke energetische niveau

In de periode tot 1965 werden er nog geen eisen aan de energiezuinigheid van woningen gesteld. De woningen werden daarom niet geïsoleerd. In de woningen die voor 1960 gebouwd zijn, kwamen vaak stalen kozijnen met enkel glas voor. De portiekwoningen werden in die tijd verwarmd door lokale gaskachels. Voor het bereiden van warmtapwater werden de woningen uitgerust met elektrische boilers en in sommige gevallen keukengeisers.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Een deel van deze woningen is in de loop der jaren energetisch verbeterd. Ongeveer 78% van deze woningen heeft inmiddels centrale verwarming, de rest wordt lokaal verwarmd (22%). Ongeveer 13% van de woningen heeft blokverwarming. De VR-combiketel komt bij individuele centrale verwarming het meeste voor (27%), gevolgd door de HR-combiketel (HR107 17% en HR100 8%) en CR-ketel (7%). Het tapwater wordt vooral verwarmd door de combiketel (48%, zowel VR als HR), de keukengeiser (34%) en de elektrische boiler (8%). Het aandeel keukenboilers is 2%. Bij na-isolatie ligt het accent op het plaatsen van dubbelglas (60% van het glasoppervlak) en HR glas (11%). Na-isolatie van de dichte delen blijft hierbij sterk achter. Van de dichte geveldelen is 13% geïsoleerd, van het vloeroppervlak 1% en van het dak 10%. Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (74%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging (26%). Van de woningen is 33% voorzien van kierdichting.

Meergezinswoning, 1 woonlaag 1965-1974

Deze woning valt in de categorie ‘galerijwoningen gebouwd in de periode 1965 tot en met 1974’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De galerijwoningen die zijn gebouwd in de periode 1965- 1974, vertegenwoordigen met 174.000 woningen 2,6% van de Nederlandse woningvoorraad. Het merendeel wordt verhuurd, 73% in de sociale sector en 11% in de particuliere sector. De resterende 16% zijn koopwoningen. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 3 tot 4 kamers. De woningen zijn onderdeel van een flatgebouw met meerdere verdiepingen en een lift. De woningen zijn bereikbaar via een open galerij en worden bewoond door alle leeftijdsgroepen: jonger dan 35 (22%), 35-64 jarigen (41%) en 65+ers (37%). De woningen worden met name bewoond door alleenstaanden (57%) en tweepersoonshuishoudens zonder kinderen (21%).

Oorspronkelijke energetische niveau

Sinds 1965 zijn er eisen gesteld aan de energetische kwaliteit van woningen. Toch werden de woningen naar huidige nieuwbouw maatstaven niet erg goed geïsoleerd. Voor het ventileren van deze woningen werd gebruik gemaakt van natuurlijke ventilatie. Veel galerijwoningen werden in die tijd verwarmd door collectieve conventionele CV-ketels. Ook voor het bereiden van warmtapwater werd dit systeem gebruikt.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Een aantal van deze woningen is in de loop der jaren energetisch verbeterd. Ook nu komt collectieve verwarming het meeste voor, vooral als blokverwarming (54%) of als warmtelevering door derden (9%). Bij individuele verwarming komt vooral lokale gasverwarming veel voor (16%). Individuele centrale verwarming komt relatief weinig voor (21%). Hier worden de VR ketel en HR ketel net zo vaak toegepast (beide 10%, met nog 1% voor de CR ketel). Het warmtapwater wordt in 54% van de woningen bereid door het collectieve blokverwarmingssysteem, in 18% door een geiser, in 18% door een elektrische boiler en in 21% door een combiketel (zowel VR als HR). Het aandeel keukenboilers is 10%. Bij na-isolatie ligt het accent op het plaatsen van dubbelglas (54% van het glasoppervlak) en HR glas (11%). Na-isolatie van de dichte delen blijft hierbij sterk achter. Van de dichte geveldelen is 13% geïsoleerd en van het platte dak 6%. De woningen zijn voorzien van mechanische ventilatie (51%) of natuurlijke ventilatie (47%). Een zeer klein aandeel heeft balansventilatie (1%). Een deel van de woningen is voorzien van kierdichting (29%).

Meergezinswoning, 1 woonlaag 1975-1982, 1983-1987 en 1988-1991

Deze woning valt in de categorie ‘portiekwoningen gebouwd in de periode 1975 tot en met 1991’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De portiekwoningen die zijn gebouwd in de periode 1975-1991, vertegenwoordigen met 142.000 woningen 2,1% van de Nederlandse woningvoorraad. Het merendeel, 76%, wordt verhuurd in de sociale sector en 10% in de particuliere sector, de resterende 14% zijn koopwoningen. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 2 tot 4 kamers. De woningen zijn onderdeel van een flatgebouw met meerdere verdiepingen, zonder lift. De woningen zijn bereikbaar via een gesloten portiek en worden bewoond door alle leeftijden: jonger dan 35 (35%), 35-64 jarigen (45%), 65+ers (20%). De woningen worden bewoond door alleenstaanden (60%) en tweepersoons huishoudens zonder kinderen (30%). Kenmerkend aan deze bouwperiode is dat de systeembouw wordt geïntroduceerd, en steeds meer wordt toegepast.

Oorspronkelijke energetische niveau

De eisen aan de energetische kwaliteit van nieuwbouwwoningen zijn verhoogd in 1975 (Rc 1,3 m²K/W voor dak en dichte gevel), in 1979 (dubbele beglazing woonvertrek), in 1983 (Rc 1,3 m²K/W begane grondvloer) en in 1988 (Rc 2,0 m²K/W voor dak en dichte gevel). Vooral de woningen uit het eerste deel van deze periode werden naar huidige nieuwbouw maatstaven niet erg goed geïsoleerd. Opvallend in deze bouwperiode was dat de energetische eisen van woningen in de sociale huursector hoger waren dan die van de andere woningen. Zo moesten sociale huurwoningen in de woonvertrekken al vanaf 1975 worden voorzien van dubbelglas. Toch werd dubbelglas in ruime mate toegepast bij alle woningen. Veel portiekwoningen werden in deze bouwperiode nog uitgerust met lokale gaskachels, elektrische boilers en natuurlijke ventilatie. Centrale verwarming werd in toenemende mate toegepast.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Een groot deel van de woningen heeft centrale verwarming (94%). Individuele verwarming komt het meeste voor (88%), naast blokverwarming (8%) of warmtelevering door derden (4%). Bij individuele verwarming komt de HR-combiketel net iets meer voor dan de VR-ketel (HR107 28% en HR100 13%, VR-ketel 31%). De individuele CR-ketel (2%) en lokale gasverwarming (6%) komen nauwelijks voor. Naast combiketels (76% met iets meer HR) worden nog collectieve systemen (8%), elektrische boilers (4%) en keukengeisers (5%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Keukenboilers komen vrijwel niet voor (2%). Een deel van de woningen is al vanaf de oplevering voorzien van dubbelglas. Dit deel van het glasoppervlak zal niet snel door HR glas worden vervangen. Het aandeel dubbelglas is groot (80% van het glasoppervlak). Een deel van deze woningen heeft nog steeds enkelglas (9% van het glasoppervlak). Het aandeel HR glas is 11%. Alle dichte geveldelen zijn geïsoleerd, alleen is het isolatieniveau in de meeste gevallen niet erg hoog. Het grootste deel van de woningen is voorzien van mechanische ventilatie (58%). Daarnaast komt vooral natuurlijke ventilatie voor (41%) en in zeer beperkte mate balansventilatie met warmteterugwinning (1%). Alle woningen zijn voorzien van kierdichting.

Meergezinswoning, 1 woonlaag 1992-1999 en 2000-2005

Deze woning valt in de categorie ‘galerijwoningen gebouwd in de periode 1992 tot en met 2005’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De galerijwoningen die zijn gebouwd in de periode 1992-2005, vertegenwoordigen met 113.000 woningen zo’n 1,7% van de Nederlandse woningvoorraad. Het merendeel, 58%, wordt verhuurd in de sociale sector en 8% in de particuliere sector, de resterende 34% zijn koopwoningen. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 3 kamers. De woningen zijn onderdeel van een flatgebouw met meerdere verdiepingen en een lift. De woningen zijn bereikbaar via een open galerij (73%) en door een gesloten galerij (27%). Ze worden bewoond door met name ouderen: jonger dan 35 (6%), 35-64 jarigen (34%) en 65+ers (60%). De woningen worden met name bewoond door alleenstaanden (64%) en tweepersoons huishoudens zonder kinderen (31%).

Oorspronkelijke energetische niveau

De woningen uit deze periode zijn goed geïsoleerd. In 1992 zijn de isolatie-eisen verhoogd waardoor dubbelglas en isolatie van de gevel, vloer en het dak (Rc 2,5 m²K/W) gemeengoed werden. Voor het verwarmen van de woning werd de (individuele of collectieve) VR-ketel op grote schaal toegepast. Ook kwam er aandacht voor het mechanisch ventileren van de woning met een afzuigventilator

.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Vrijwel alle woningen hebben centrale verwarming. Individuele verwarming komt het meeste voor (90%), naast blokverwarming (3%) of warmtelevering door derden (7%). Bij individuele verwarming komt de HR-combiketel het meeste voor (HR107 32%, HR100 23%). Een deel van de woningen heeft een VR ketel (30%) en een beperkt deel wordt nog lokaal verwarmd (1%). Tapwater wordt vooral verwarmd door individuele combiketels (87%, voor tweederde HR). Keukenboilers komen niet voor. Bij alle woningen is bij oplevering dubbelglas (44% van het glasoppervlak) of HR-glas (54%) toegepast. Zeer beperkt is nog enkelglas toegepast (2%). Alle dichte geveldelen zijn geïsoleerd, waarvan het isolatieniveau tenminste voldoet aan de huidige eisen (Rc 2,5 m²K/W). Vrijwel alle woningen zijn voorzien van mechanische ventilatie (67%). Daarnaast komt beperkt natuurlijke ventilatie voor (7%) en is balansventilatie (18%) en vraaggestuurde ventilatie (7%) in opkomst. Alle woningen zijn voorzien van kierdichting.

Meergezinswoning, 1 woonlaag 2006-2013 en 2014 - heden

Algemeen

De woningen uit deze bouwperiode werden zeer goed geïsoleerd, waarbij HR-glas standaard werd toegepast. De woningen werden voorzien van centrale verwarming met een HR-ketel, al dan niet in combinatie met een zonneboiler, en mechanische ventilatie. Ook werden in deze periode woningen met een warmtepomp uitgevoerd.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Doordat deze woningen van oorsprong goed geïsoleerd zijn, is er geen sprake van naisolatie.

Meergezinswoning, 2 woonlagen t/m 1945 en 1946-1964

Deze woning valt in de categorie ‘maisonnettewoningen gebouwd in de periode tot en met 1964’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De maisonnettewoningen 1 gebouwd tot en met 1964 vertegenwoordigen met 226.000 woningen ongeveer 3,3% van de Nederlandse woningvoorraad. Zo’n 29% is eigendom van de bewoner, 44% wordt verhuurd in de sociale sector en 27% in de particuliere sector. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 3 tot 4 kamers, verdeeld over 2 of 3 woonlagen. De woningen zijn bereikbaar via een gesloten portiek of het betreft beneden-/ bovenwoningen. De woningen worden met name bewoond door jonger dan 35 (35%) en 35-54 jarigen (37%). De woningen worden bewoond door alleenstaanden (44%) en tweepersoons huishoudens met (17%) en zonder (28%) kinderen. Vaak zijn de woningen uit deze categorie op traditionele wijze gebouwd met gemetselde wanden en gevels. De vloeren en het dakbeschot zijn vaak van hout.

Oorspronkelijke energetische niveau

In de periode tot 1965 werden er nog geen eisen aan de energiezuinigheid van woningen gesteld. De woningen werden daarom niet geïsoleerd. Tot circa 1930 werden er geen spouwmuren toegepast. In de woningen die voor 1960 gebouwd zijn, kwamen vaak stalen kozijnen met enkel glas voor. Veel woningen werden in die tijd uitgerust met lokale gaskachels, elektrische boilers en natuurlijke ventilatie.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Een deel van deze woningen is in de loop der jaren energetisch verbeterd. Ongeveer 80% van deze woningen heeft inmiddels centrale verwarming. De HR-combiketel komt het meeste voor (HR107 28% en HR100 11%). Een deel van de woningen heeft een andere ketel (CR 6%, VR 27%) of wordt nog lokaal verwarmd (20%). Naast combiketels worden ook elektrische boilers (5%), gasboilers (2%) en vooral keukengeisers (22%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 7%. Bij na-isolatie ligt het accent op het plaatsen van dubbelglas (52% van het glasoppervlak) en zeer beperkt HR glas (4%). Na-isolatie van de dichte delen blijft hierbij sterk achter. Van de dichte geveldelen is slechts 5% geïsoleerd, van het vloeroppervlak 9%, van het hellende dak 19% en van het platte dak 8%. Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (87%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging (13%). Van de woningen is 16% voorzien van kierdichting.

Meergezinswoning, 2 woonlagen 1965-1974

Deze woning valt in de categorie ‘maisonnettewoningen gebouwd in de periode 1965 tot en met 1974’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De maisonnettewoningen die zijn gebouwd in de periode 1965-1974, vertegenwoordigen met 22.000 woningen slechts 0,3% van de Nederlandse woningvoorraad. Het merendeel, 63%, wordt verhuurd in de sociale sector en 20% in de particuliere sector, de resterende 17% zijn koopwoningen. Kenmerkend aan deze bouwperiode is dat de systeembouw wordt geïntroduceerd, en steeds meer wordt toegepast.

Oorspronkelijke energetische niveau

Sinds 1965 zijn er eisen gesteld aan de energetische kwaliteit van woningen. Toch werden de woningen naar huidige nieuwbouw maatstaven niet erg goed geïsoleerd. Voor het ventileren van deze woningen werd gebruik gemaakt van natuurlijke ventilatie. Veel maisonnettewoningen werden in deze bouwperiode uitgerust met lokale gaskachels, elektrische boilers en natuurlijke ventilatie. Centrale verwarming werd in toenemende mate toegepast.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Een deel van deze woningen is in de loop der jaren energetisch verbeterd. Vrijwel alle woningen hebben tegenwoordig centrale verwarming. Individuele verwarming komt het meeste voor (62%), maar een behoorlijk deel wordt collectief verwarmd (ruimteverwarming en warmtapwater 38%). De HR-combiketel komt als individuele ketel het meeste voor (HR107 32%). Een kleiner deel van de woningen heeft een individuele VR ketel (23%) of wordt nog lokaal verwarmd (7%). Naast collectieve verwarming en individuele combiketels worden ook elektrische boilers (6%), en vooral keukengeisers (17%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Het aandeel keukenboilers is 19%. Bij na-isolatie ligt het accent op het plaatsen van dubbelglas (55% van het glasoppervlak) en HR glas (9%). Na-isolatie van de dichte delen blijft hierbij sterk achter. Van de dichte geveldelen is 14% geïsoleerd en van het hellende dak 16%. Het grootste deel van de woningen is voorzien van natuurlijke ventilatie (79%). Het overige deel heeft mechanische afzuiging (21%). Een deel van de woningen is voorzien van kierdichting (19%).

Meergezinswoning, 2 woonlagen 1975-1982, 1983-1987 en 1988-1991

Deze woning valt in de categorie ‘maisonnettewoningen gebouwd in de periode 1975 tot en met 1991’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De maisonnettewoningen die zijn gebouwd in de periode 1975-1991, vertegenwoordigen met 94.000 woningen 1,4% van de Nederlandse woningvoorraad. Het merendeel, 76%, wordt verhuurd in de sociale sector en 3% in de particuliere sector, de resterende 21% zijn koopwoningen. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 2 tot 4 kamers, verdeeld over 2 of 3 woon¬lagen. De woningen zijn bereikbaar via een open galerij of open portiek. Ze worden met name bewoond door jonger dan 35 (29%) en 35-54 jarigen (42%). De woningen worden bewoond door alleenstaanden (49%) en tweepersoons huishoudens zonder kinderen (31%). Kenmerkend aan deze bouwperiode is dat de systeembouw wordt geïntroduceerd, en steeds meer wordt toegepast.

Oorspronkelijke energetische niveau

De eisen aan de energetische kwaliteit van nieuwbouwwoningen zijn verhoogd in 1975 (Rc 1,3 m²K/W voor dak en dichte gevel), in 1979 (dubbele beglazing woonvertrek), in 1983 (Rc 1,3 m²K/W begane grondvloer) en in 1988 (Rc 2,0 m²K/W voor dak en dichte gevel). Vooral de woningen uit het eerste deel van deze periode werden naar huidige nieuwbouw maatstaven niet erg goed geïsoleerd. Opvallend in deze bouwperiode was dat de energetische eisen van woningen in de sociale huursector hoger waren dan die van de andere woningen. Zo moesten sociale huurwoningen in de woonvertrekken al vanaf 1975 worden voorzien van dubbelglas. Toch werd dubbelglas in ruime mate toegepast bij alle woningen. Daarnaast werd bij veel woningen vooral de vloer beter geïsoleerd dan vereist. Veel maisonnettewoningen werden in deze bouwperiode uitgerust met lokale gaskachels, elektrische boilers en natuurlijke ventilatie. Centrale verwarming werd in toenemende mate toegepast.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Vrijwel alle woningen hebben centrale verwarming. Individuele verwarming komt het meeste voor (85%), maar een deel heeft blokverwarming (4%) of warmtelevering door derden (11%). Bij individuele verwarming komt de HR-combiketel het meeste voor (HR107 43% en HR100 8%). Een kleiner deel van de woningen heeft een andere ketel (CR 5%, VR 24%) of wordt nog lokaal verwarmd (3%). Naast combiketels en collectieve systemen worden vrijwel geen andere toestellen als elektrische boilers, gasboilers of keukengeisers gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Keukenboilers komen vrijwel niet voor (1%). Een deel van de woningen is al vanaf de oplevering voorzien van dubbelglas. Dit deel van het glasoppervlak zal niet snel door HR glas worden vervangen. Het aandeel dubbelglas is groot (76% van het glasoppervlak). Een behoorlijk deel van het glasoppervlak van deze woningen is nog steeds enkelglas (20% van het glasoppervlak). Het aandeel HR glas is met 5% laag. Alle dichte geveldelen zijn geïsoleerd, alleen is het isolatieniveau in de meeste gevallen niet erg hoog. Het grootste deel van de woningen is voorzien van mechanische ventilatie (58%). Daarnaast komt vooral natuurlijke ventilatie voor (37%) en in zeer beperkte mate balansventilatie met warmteterugwinning (2%). Alle woningen zijn voorzien van kierdichting.

Meergezinswoning, 2 woonlagen 1992-1999 en 2000-2005

Deze woning valt in de categorie ‘maisonnettewoningen gebouwd in de periode 1992 tot en met 2005’ uit de publicatie Voorbeeldwoningen bestaande bouw. De maisonnettewoningen die zijn gebouwd in de periode 1992-2005, vertegenwoordigen met 40.000 woningen slechts 0,6% van de Nederlandse woningvoorraad. Het merendeel, 44%, wordt verhuurd in de sociale sector en 17% in de particuliere sector, de resterende 39% zijn koopwoningen. De woningen die in deze categorie vallen hebben vaak 3 tot 4 kamers, verdeeld over 2 woonlagen. De woningen zijn bereikbaar via een open galerij, open portiek of het betreft beneden/bovenwoningen. Ze worden met name bewoond door jonger dan 35 (47%) en 35-54 jarigen (36%). De woningen worden bewoond door alleenstaanden (33%) en tweepersoons huishoudens zonder kinderen (50%). Kenmerkend aan deze bouwperiode is dat er nog maar weinig maisonnettewoningen traditioneel gebouwd worden. Systeembouw is de meest gangbare bouwmethode.

Oorspronkelijke energetische niveau

De woningen uit deze periode zijn goed geïsoleerd. In 1992 zijn de isolatie-eisen verhoogd waardoor dubbelglas en isolatie van de gevel, vloer en het dak (Rc 2,5 m²K/W) gemeengoed werden. Voor het verwarmen van de woning werd gebruik gemaakt van centrale verwarming met een VR-ketel.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Vrijwel alle woningen hebben centrale verwarming. Individuele verwarming komt het meeste voor (74%), een flink deel heeft warmtelevering door derden (24%) en een beperkt deel blok-verwarming (2%). Bij individuele verwarming komt de HR-combiketel het meeste voor (HR107 35% en HR100 21%). Een kleiner deel van de woningen heeft een VR ketel (9%) of wordt nog lokaal verwarmd (7%). Naast combiketels en collectieve systemen worden vrijwel alleen elektrische boilers (9%) gebruikt voor de bereiding van warmtapwater. Keukenboilers komen niet voor. Bij alle woningen is bij oplevering dubbelglas (36% van het glasoppervlak) of HR-glas (63%) toegepast. Zeer beperkt is nog enkelglas toegepast (1%). Alle dichte geveldelen zijn geïsoleerd, waarbij het isolatieniveau tenminste voldoet aan de huidige eisen (Rc 2,5 m²K/W). Vrijwel alle woningen zijn voorzien van mechanische ventilatie (97%). Daarnaast komt zeer beperkt natuurlijke ventilatie voor (2%). Alle woningen zijn voorzien van kierdichting.

Meergezinswoning, 2 woonlagen 2006-2013 en 2014-heden

Algemeen

De woningen uit deze bouwperiode werden zeer goed geïsoleerd, waarbij HR-glas standaard werd toegepast. De woningen werden voorzien van centrale verwarming met een HR-ketel, al dan niet in combinatie met een zonneboiler, en mechanische ventilatie. Ook werden in deze periode woningen met een warmtepomp uitgevoerd.

Huidige energetische niveau van deze woningen

Doordat deze woningen van oorsprong goed geïsoleerd zijn, is er geen sprake van naisolatie.

Flatgebouw, laag

Ten behoeve van de hoge ambities zijn 3 typen flatgebouwen toegevoegd, omdat renovaties meestal voor het gehele gebouw uitgevoerd worden. Het flatgebouw laag is een 4-laags gebouw met 6 woningen per bouwlaag. De indeling in bouwjaarklassen en de kenmerken zijn verder gelijk aan de 1-laagse meergezinswoning.

Flatgebouw, breed en hoog

Ten behoeve van de hoge ambities zijn 3 typen flatgebouwen toegevoegd, omdat renovatie meestal voor het gehele gebouw uitgevoerd worden. Het flatgebouw breed en hoog is een 8-laags gebouw met 10 woningen per bouwlaag. De indeling in bouwjaarklassen en de kenmerken zijn verder gelijk aan de 1-laagse meergezinswoning.

Flatgebouw, smal en hoog

Ten behoeve van de hoge ambities zijn 3 typen flatgebouwen toegevoegd, omdat renovatie meestal voor het gehele gebouw uitgevoerd worden. Het flatgebouw smal en hoog is een 12-laags gebouw met 4 woningen per bouwlaag. De indeling in bouwjaarklassen en de kenmerken zijn verder gelijk aan de 1-laagse meergezinswoning.